Renovatiedetails – Algemene regels

Renovatiedetails – Algemene regels
Renovatiedetails – Algemene regels

Een bestaande constructie moet ten minste voldoen aan de regels voor bestaande bouw. Bij verbouw moeten de te verbouwen onderdelen soms aan zwaardere grenswaarden voldoen dan de bestaande onderdelen. Bij het isoleren van dak- of gevelconstructies van grondgebonden woningen moet rekening gehouden worden met de volgende regels bij verbouw:

Brandwerendheid scheidingsconstructies

Tussen twee woningen geldt een minimale wbdbo van 20 minuten. Dat betekent dat de woningscheidende wand ten minste 20 minuten brandwerend moet zijn, maar ook alle randaansluitingen die mogelijk een branduitbreiding naar de buren kunnen bieden. Indien de bestaande bouwmuur onvoldoende brandwerend is, bijvoorbeeld door gaten t.p.v. balkopleggingen in de wand of ter plaatse van de aansluiting met het dakbeschot, moet dit ten minste bij de delen die raken aan de te verbouwen delen, worden hersteld voordat met de isolatiewerkzaamheden wordt begonnen. Bij herstel wordt de scheidingsconstructie verbouwd en geldt de verscherpte eis voor een wbdbo van 30 minuten.

Brand- en rookklasse

Aan binnen- en buiten grenzende oppervlakken moeten ten minste voldoen aan brandklasse D (of aan de Nederlandse brandklasse 4). Aan binnen grenzende oppervlakken moeten bovendien voldoen aan rookklasse s2 . Dit geldt ook bij verbouw. 

Omdat biobased isolatiematerialen vaak niet voldoen aan deze brand- en/of rookklasse, moeten ze voldoende worden afgeschermd en mogen nooit onafgewerkt worden toegepast.

Geluidwering

Er gelden geen regels voor geluidwering tussen binnen en buiten in bestaande bouw (gevels en daken). Ook voor de geluidwering tussen ruimten, zoals een naastgelegen woning, gelden geen regels voor bestaande bouw. Bij verbouw gelden ook geen verscherpte regels voor geluidwering tussen binnen en buiten en tussen ruimten. 

Desondanks zal de geluidwering wel toenemen als gevolg van het isoleren van een gevel- of dakconstructie. In de referentieconstructies die gebruikt worden in de biobased bouwdetails zijn, waar mogelijk indicatieve geluidwaarden opgenomen voor RA,traffic (geluid tussen binnen en buiten) en de DnT,A;k (luchtgeluid tussen ruimten). 

Wering van geluid van buiten
Isolatie met plantaardige vezelisolatie biedt een betere geluidwering dan bijvoorbeeld isolatie met een traditionele EPS-isolatie. Indicatief kunnen hiervoor de volgende waarden worden aangehouden:

ConstructieRA,traffic  [dB]RA,traffic  [dB]
Stro-isolatie (indicatief)EPS-isolatie (indicatief)
Nageïsoleerd hellend dakconstructie30 – 35 dB25 dB

Tabel 1 Indicatieve geluidwaarden renovatieconstructies

Wering van geluid tussen woningen
Geluidisolatie tussen woningen wordt na het isoleren van het dak aanzienlijk verbeterd, doordat de flankerende geluidoverdracht afneemt. De uiteindelijk resulterende geluidisolatie tussen de woningen wordt dan voornamelijk bepaald door de aanwezige wandconstructie en de detaillering van de aansluiting van het dak op de bouwmuur.

Afhankelijke van de exacte opbouw van de wand is een DnT,A;k (luchtgeluidisolatieniveauverschil) van 50 dB te realiseren, mits de panlatten niet doorlopen. Ter vergelijking: voor nieuwbouw geldt richting een verblijfsruimte in een andere woning een minimale DnT,A;k ≥ 52 dB. Deze waarde kan bij renovatie niet geheel worden gehaald. Richting overige ruimten geldt bij nieuwbouw een minimale DnT,A;k ≥ 47 dB. Deze waarde zal hoogstwaarschijnlijk wel worden gehaald. 

Thermische isolatie

Voor bestaande bouw bestaan geen regels voor minimale warmteweerstanden van klimaatscheidende constructies. Bij verbouw moet wel aan minimale warmteweerstanden (Rc-waarden) worden voldaan.

Deze zijn hieronder weergegeven:

Type verbouwConstructieonderdeelRc [m2K/W]
Verbouw van niet eerder geïsoleerde vloer, gevel, dakVloer, gevel, dak1,4
Vervangen van isolatielaagVloer/BG-vloer2,6
Gevel1,4
Dak2,1
Ingrijpende renovatie (verbouw van > 25% van de gebouwschil)BG-vloer6,3
Gevel4,7
Dak/vloer6.3

Tabel 1 Minimale warmteweerstanden bij verbouw

Netto warmtevraag
Woningcorporaties moeten voor huurwoningen voldoen aan de maximum netto warmtevraag, uitgedrukt in kWh/m2. De netto-warmtevraag kan bij renovatie daarom worden ingezet als sturingsinstrument voor de mate van benodigde thermische isolatie van de woning. Het beperken van transmissieverlies door vloeren, gevels en daken draagt in hoge mate bij aan het beperken van warmteverlies en is dus van grote invloed om te kunnen voldoen aan de vereiste netto warmtevraag. Ook het beperken van infiltratieverliezen (luchtdicht bouwen) draagt hieraan bij. Het is niet eenvoudig om voor een woning vooraf te bepalen welke warmteweerstand minimaal gerealiseerd moet worden om aan de maximum netto-warmtevraag te kunnen voldoen. Op basis van verschillende berekeningen aan referentie-tussenwoningen is globaal wel duidelijk dat er minimale Rc-waarden voor vloeren, gevels en daken gerealiseerd moeten worden.  Dit is hieronder weergegeven. 

Type constructieonderdeelMinimale (indicatieve) Rc-waarde [m2K/W]
BG-vloer3,5 – 4,0
Gevel1,7 – 3,0
Dak4,5

Tabel 2 Indicatieve warmteweerstanden tussenwoningen om aan netto-warmtevraag te kunnen voldoen.

De biobased bouwdetails voor renovatie zijn zodanig dat hier ruim aan voldaan kan worden. 

Om aan te tonen of een woning werkelijk aan de maximum netto-warmtevraag kan voldoen, moet de netto-warmtevraag worden bepaald uit de BENG-berekening volgens de NTA 8800.

Luchtdichtheid

Ventilatie
Essentieel is dat een woning goed wordt geventileerd. In een bestaande ongeïsoleerde constructie gebeurt dit vaak via infiltratie van lucht door naden en kieren. Bij naïsolatie wordt de luchtdichtheid van de constructie behoorlijk verbeterd. Dat betekent dat de ventilatie op een andere manier, beheersbaar moet worden geregeld. Ventilatie moet ten minste voldoen aan de regels die het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving) hieraan stelt. Dit geldt zowel voor de toepassing van dampopen als voor een dampdichte constructies.

Beperken vochttransport via luchtlekken
Een goede luchtdichting van naden is niet alleen van belang om ongecontroleerde infiltratie en daarmee warmteverlies te voorkomen, maar het is ook essentieel om vochttransport naar de dakconstructie te voorkomen. Dit vochttransport via naden kan een veelvoud zijn ten opzichte van vochttransport door diffusie. Tevens vermindert de kans op lekkage door een goede luchtdichting aan de warme zijde, omdat water niet naar binnen kan worden gezogen als gevolg van luchtdrukverschillen tussen binnen en buiten. 

In de biobased bouwdetails zijn luchtdichtingen aangegeven bij naadafwerkingen. Bij doorvoeren is extra aandacht vereist voor de luchtdichtingen. Bij voorkeur wordt daar alleen gewerkt met prefab luchtdichtingsmanchetten om een goede aansluiting tussen doorvoer en constructie te waarborgen. 

Waterdampdoorlatendheid

Indien in de bestaande situatie blijkt dat op het dakbeschot, onder de dakpannen weliswaar een waterkerende laag is aangebracht, maar dat die niet dampopen of dampdoorlatend is, moet de dakconstructie aan de binnenzijde met een voldoende dampremmende laag worden uitgevoerd. Een dampopen constructie is dan niet mogelijk. Voor uitvoering van de isolatiewerkzaamheden van binnenuit, dient dit altijd bekeken te worden. 

Dampremmende folie
Door een geïsoleerde constructie dampremmend uit te voeren, wordt voorkomen dat vocht vanuit de warme zijde de constructie kan binnendringen. Hierdoor wordt voorkomen dat er inwendige condensatie in de constructie kan plaatsvinden als gevolg van een lage temperatuur aan de koude zijde van de constructie. Belangrijk is dat de constructie naar buiten toe altijd steeds meer dampdoorlatend wordt, zodat de vocht altijd naar buiten kan diffunderen. 

Dampopen bouwen en toepassing van de variabele klimaatfolie
Er is steeds meer aandacht voor dampopen bouwen. Een dampopen constructie neemt vocht op uit een binnenruimte met een relatief hoge luchtvochtigheid en dat vocht verdampt weer in een relatief droge situatie in de binnenruimte. Dit draagt (in beperkte mate) bij aan een comfortabel binnenklimaat. Bovendien draagt de verdamping van vocht uit de constructie in een droge situatie ook (beperkt) bij aan het koelen van de ruimte (adiabatische koeling). Een vochtige constructie moet echter tijdig weer drogen en mag niet te lang nat blijven. Een langdurig natte constructie kan leiden tot schade als gevolg van rot en schimmel.

Figuur 1 Stijging relatieve vochtigheid van binnen naar buiten in een dampopen dakconstructie

Volledig dampopen bouwen
Het volledig dampopen bouwen zonder toepassing van een damprem is soms mogelijk. Daarbij blijft het uitgangspunt gelden dat de constructie naar buiten toe steeds meer dampdoorlatend moet zijn. Dat betekent dat de aan de warme zijde van de constructie toegepaste producten, beter dampremmend moeten zijn dan de producten die verder naar de buitenzijde worden toegepast. Hier kan op verschillende manieren aan gerekend worden. 

Dampvariabele folie toepassen
Bij renovatie van woningen moet voorkomen worden dat teveel vocht in de, met plantaardige vezelisolatie, nageïsoleerde constructie leidt tot langdurige inwendige condensatie. Uitgebreider onderzoek, via gerichte vochtberekeningen, is nodig om volledig dampopen bouwen mogelijk te maken in renovatie.

In de biobased bouwdetails voor renovatie is daarom bij ‘dampopen bouwen’ altijd gebruik gemaakt van een dampvariabele klimaatfolie. Bij toepassing van een dampvariabele folie is de dampdoorlatendheid afhankelijk van de luchtvochtigheid: in de winter, bij een hoge relatieve luchtvochtigheid aan de warme zijde, wordt de folie dampremmend (Sd ≥ 25 m). Hierdoor kan vochtige warme binnenlucht niet in de constructie dringen en condenseren tegen de koude buitenzijde van de constructie.

In de zomer, bij warm en droog weer, wordt de folie extra dampdoorlatend (Sd ≤ 0,25 m) en kan wel tot 500 g/m2 vocht per week naar binnen afvoeren uit de constructie. Hierdoor droogt de isolatie en door verdamping van dit vocht ontstaat ook een koelend effect in de ruimte (adiabatische koeling).

Waterdichtheid

Bij het isoleren van ongeïsoleerde hellende daken met een biobased inblaasisolatie is het van belang dat de bestaande constructie goed waterdicht is. Dit dient voorafgaand aan de isolatiewerkzaamheden te worden vastgesteld. Bovendien is het van belang dat de kans op een toekomstige lekkage minimaal is. Daarom is in de geïsoleerde dakconstructies in deze biobased bouwdetails uitgegaan van een waterkerende dampopen folie (wkdo-folie) die reeds aanwezig is op het bestaande dakbeschot. Hierdoor is een extra waterdichting onder de dakpannen aanwezig waardoor schade aan het biobased isolatiepakket, als gevolg van een eventuele lekkage, geminimaliseerd wordt.

Figuur 2: Oude lekkage, zichtbaar in ongeïsoleerde dakconstructie (foto: Takkenkamp Groep)

Indien geen wkdo-folie aanwezig is en die ook niet wordt aangebracht, kan het stropakket zich bij een daklekkage, volzuigen met water zonder dat dit aan de binnenzijde tijdig gesignaleerd wordt. 

Kabels, leidingen en kanalen: aanwezigheid en doorvoeren

Figuur 3: Bestaande leidingen en kanalen t.p.v. dak (foto: Takkenkamp Groep)

Bij het naïsoleren van bestaande constructies van binnenuit, zijn vaak bestaande kabels en leidingen aanwezig ter plaatse van de te isoleren constructieonderdelen. Ook kunnen doorvoeren aanwezig zijn die door de constructie heen voeren. Als er geen onregelmatigheden in de isolatiewaarde te verwachten zijn en als er geen hinder van te verwachten is bij het uitvoeren van de isolatiewerkzaamheden, hoeft het geen probleem te zijn om dit te laten zitten. Het is belangrijk om doorbrekingen door de binnenbeplating echter altijd luchtdicht af te werken en te zorgen dat bij brand het isolatiepakket niet bereikbaar wordt via de openingen in de binnenbeplating. Hieronder is dit nader toegelicht.

Luchtdichtheid
Zoals hierboven al beschreven in de paragraaf over luchtdichtheid is het van belang om openingen in de binnenbeplating goed luchtdicht te maken om te voorkomen dat vocht de constructie in kan trekken en om de kans op lekkages te verkleinen door luchtstromingen als gevolg van drukverschillen tussen binnen en buiten te voorkomen. De luchtdichting van elektrakabels en waterleidingen heeft, naast luchtdichting, meteen ook een brandwerende functie ter plaatse van de doorvoer door de brandwerende binnenbeplating. Daarom moet dan gekozen worden voor een luchtdichting die meteen een brandwerende afdichting is. Afsmeren met een minerale voegenvuller volstaat hiervoor.

Brandwerendheid

  1. Elektraleidingen
    Elektraleidingen binnen het isolatiepakket vormen geen aanvullend brandveiligheidsrisico, mits ze volledig zijn opgenomen in een mantelbuis. De doorbrekingen door de brandwerende binnenbeplating moeten deugdelijk worden afgewerkt met een minerale voegenvuller om bij brand te voorkomen dat het isolatiepakket bereikt kan worden via de doorbreking.
  2. Wandcontactdozen
    Wandcontactdozen liefst niet plaatsen in brandwerende beplating. Indien het desondanks onvermijdelijk is om toch een wandcontactdoos in een brandwerende beplating te plaatsen, mag dit uitsluitend worden uitgevoerd als een brandwerende wandcontactdoos. Bedrading dient altijd in een mantelbuis te worden aangebracht.
  3. Waterleidingen
    Waterleidingen binnen het isolatiepakket vormen geen aanvullend brandveiligheidsrisico. De doorbrekingen door de brandwerende binnenbeplating moeten deugdelijk worden afgewerkt met een minerale voegenvuller om bij brand te voorkomen dat het isolatiepakket bereikt kan worden via de doorbreking.
  4. Kunststof leidingen en metalen kanalen
    Een rioolontluchting door een dakconstructie, een rookgaskanaal of een afvoerkanaal voor de mechanische ventilatie moet zodanig worden geïsoleerd richting het vezelisolatiepakket dat bij brand vrijkomende warmte niet direct via leiding of kanaal de vezelisolatie kan bereiken. Daarom moeten kunststof leidingen en metalen kanalen, rondom geïsoleerd worden met ten minste 100 mm steenwol van ten minste 35 kg/m.

Figuur 4: Bestaande rioolontluchting door dak (foto: Takkenkamp Groep)

De steenwolisolatie moet geheel sluitend rondom bevestigd worden.Eventueel kunnen ook prefab steenwolschaalconstructies worden toegepast.In de praktijk zullen de doorvoeren niet altijd een gelijkmatige doorsnede hebben, waardoor geïmproviseerd moet worden. Het inpakken van de doorvoeren vraagt de nodige nauwkeurigheid bij de uitvoering.

In de praktijk zullen de doorvoeren niet altijd een gelijkmatige doorsnede hebben, waardoor geïmproviseerd moet worden. Het inpakken van de doorvoeren vraagt de nodige nauwkeurigheid bij de uitvoering.

De binnenzijde van de aansluiting van de doorvoer moet worden afgewerkt met een zgn. gecontramalde aansluiting en luchtdicht worden afgeplakt. Bij voorkeur worden hiervoor zelfklevende prefab manchetten gebruikt. De brandwerendheid is geborgd door de schaalisolatie rondom de doorvoer. De manchet t.p.v. de doorvoer heeft daarom uitsluitend een functie als luchtdichting.

Building Balance

Meer weten?

Neem contact met ons op via info@buildingbalance.eu