Met strovulling nageïsoleerde gordingenkap van voor 1975, dragend op houten rachels en binnenbeplating

Met strovulling nageïsoleerde gordingenkap van voor 1975, dragend op houten rachels en binnenbeplating
Met strovulling nageïsoleerde gordingenkap van voor 1975, dragend op houten rachels en binnenbeplating

Hellende daken tot 1975 werden bij nieuwbouw meestal niet geïsoleerd. Als het bestaande dak op dit moment geen lekkage vertoont, kan tussen de gordingen van binnenuit een plantaardige vezelisolatie worden ingeblazen tussen het dakbeschot en de aan te brengen rachels en binnenbeplating onder de gordingen langs. 

Om deze warmteweerstand te realiseren kan het nodig zijn om de standaardgordingen op te dikken. Daardoor kan het extra gewicht van de inblaasisolatie voldoende worden opgevangen en kan een voldoende dik isolatiepakket worden aangebracht.

Constructieve sterkte en doorbuiging

Als opbouw van de bestaande dakconstructie zijn voor de biobased bouwdetails de hieronder beschreven uitgangspunten gehanteerd. Deze zijn voor de gekozen referentiesituaties bepaald volgens NEN 8700 en de normen uit de Eurocodereeks (NEN-EN 1990 t/m 1995) waarnaar deze norm verwijst. Hierbij zijn de regels voor het niveau voor verbouw leidend geweest. 

Houten gordingen

Voor de bestaande gordingen is uitgegaan van een standaardafmeting van 63 mm x 150 mm met een maximale overspanning 3,7 m als niet doorgaande ligger en een onderlinge afstand tussen de gordingen van 1,05 m. Bovendien is rekening gehouden met de aanwezigheid van PV/PVT-panelen op het dak met een gewicht van maximaal 20 kg/m2.

Vanwege de toename in gewicht door het inblazen van plantaardige vezelisolatie, is het vaak nodig om de bestaande gordingen op te dikken, zodat het extra gewicht via deze gordingen kan worden afgedragen en de doorbuiging beperkt blijft. Hiervoor zijn meerdere mogelijkheden. In de details met deze dakopbouw zijn twee mogelijkheden getekend.

  1. Opdikken van bestaande gordingen
    De gordingen worden opgedikt door het volledig verlijmen van een balk op de bestaande gording en die balk met bouten M12, h.o.h. 200 mm aanvullend mechanisch te bevestigen. De opgedikte gordingen zijn daardoor voldoende sterk om het aanvullende gewicht van de isolatie af te dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken.

De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 04-01-2024, met kenmerk LKE/230343NOT01.

2. Toevoegen van nieuwe gordingen voor krachtsafdracht van het extra gewicht
De bestaande gordingen blijven de bestaande dakconstructie dragen. Het toe te voegen gewicht wordt gedragen door nieuw aan te brengen gordingen tegen de bestaande gordingen aan. Daarbij wordt geen koppeling gemaakt tussen de bestaande en nieuwe gordingen. De nieuwe gordingen worden met metalen balkschoenen bevestigd aan de wanden aan weerszijden. Over de nieuwe gordingen worden rachels aangebracht. Deze dragen niet alleen het gewicht van het inblaasstro en de binnenafwerking, maar voorkomen ook het ‘kippen’ (torderen) van de nieuw aangebrachte gordingen. De verticale krachten die daardoor via de rachels naar beneden worden afgedragen, moeten verder naar beneden worden afgedragen op het knieschot dat op de grond is gemonteerd.  

De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 22-04-2024, met kenmerk LKE/230343NOT03.

Sterkte en doorbuiging van dampremmende folie en houten rachels

In deze constructieopbouw worden rachels gemonteerd onder de gordingen. Daaroverheen wordt een folie en een binnenbeplating gemonteerd. Rachels en binnenbeplating samen moeten voldoende draagkrachtig zijn om het gewicht van het inblaasstro te kunnen dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken. Dat betekent dat er constructieve eisen gesteld worden aan de toe te passen rachels en binnenbeplating. Hiervoor zijn constructieve berekeningen uitgevoerd door Vericon. Deze zijn vastgelegd in het rapport van Vericon van 22-03-204 met kenmerk LKE/230343NOT02.

De constructieve sterkte en doorbuiging van de houten rachels en de daaroverheen bevestigde binnenbeplating is afhankelijk van de dichtheid (volumieke massa) van het inblaasstro (1), de dikte van het isolatiepakket (2) en van de overspanning tussen de gordingen (3). In de constructieve berekeningen zijn een aantal varianten hiervan berekend die hebben geleid tot de houten rachels zoals getekend in de biobased bouwdetails waarin deze constructieopbouw is gebruikt.

  1. Rachels
    Uitgangspunt is dat de houten rachels doorgaand over ten minste drie gordingen worden gemonteerd. Bij montage over twee zullen zwaardere rachels moeten worden toegepast om de doorbuiging te beperken.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,05 m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 28 mm x 58 mm.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m en afstand tussen rachels h.o.h. 200 mm: 28 mm x 58 mm of 28 x 70 mm bij toepassing van isolatiepakketten > 30 kg/m2
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 44 mm x 44 mm.

De rachels moeten worden bevestigd met twee schroeven per bevestigingspunt, ∅ 5 mm en inschroefdiepte ≥ 2x racheldikte.

2. Binnenbeplating
Tussen twee rachels in wordt het gewicht van de losse vezelisolatie gedragen door de binnenbeplating. Deze binnenbeplating moet voldoende constructieve sterkte hebben om dit isolatiepakket te dragen. Bovendien moet de doorbuiging van de binnenbeplating beperkt blijven. De beplating wordt constructief belast en daarom kan niet elke beplating worden toegepast: voor veel gipsbeplatingen is de sterkte voor constructieve belasting niet of onvoldoende bepaald. Desondanks zijn er zeker gipsbeplatingen op de markt waarvan de constructieve sterkte en maximale doorbuiging in de overspanning tussen twee rachels wel aantoonbaar kan voldoen. Desondanks wordt in deze biobased bouwdetails in zijn algemeenheid geadviseerd om constructief belaste beplatingen in hout uit te voeren, bijvoorbeeld een OSB-3-beplating. Meer info over de constructieve belasting van platen vind je in het daarvoor opgestelde rapport van Vericon van 22-03-204 met kenmerk LKE/230343NOT02.

Indien houten beplating wordt toegepast als binnenafwerking, moet uiteraard wel voldaan kunnen worden aan de regels voor brandveiligheid. Daar wordt hieronder op ingegaan onder het kopje ‘brandveiligheid’ hieronder.

Brandveiligheid

Qua brandveiligheid geldt dat ten minste moet worden voldaan aan de regels die het Bbl stelt aan de wbdbo tussen woningen en aan de regels die het Bbl stelt aan de brandklasse van de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie. 

Wbdbo
Voor de dakconstructie zelf geldt geen wbdbo-eis, omdat de dakconstructie geen scheiding tussen twee woningen vormt. Tegelijkertijd behoren de plantaardige vezelisolaties tot de brandbare isolatiematerialen. Daarom is een voldoende brandwerende afscherming aan de binnenzijde van groot belang. In deze constructieopbouw is hiervoor een OSB-3-beplating van ten minste 18 mm toegepast. Deze dient volgens de verwerkingsvoorschriften van de leverancier te worden gemonteerd en de platen moeten onderling met een mes en groefverbinding op elkaar aansluiten. Stuiknaden zijn niet toegestaan om de vlamdichtheid voldoende te borgen. Bovendien moeten de randen voldoende brandwerend worden afgewerkt. Een eventuele brand kan de biobased inblaasisolatie dan voldoende lang niet bereiken (zo’n 20 minuten). Hiervoor geldt dat de randen van de platen altijd op achterhout gemonteerd moeten worden en dat aan de buitenzijde een houten afwerkplint moet worden toegepast. Bij toepassing van een houten binnenbeplating mag de houten afwerkplint niet zonder meer door brandwerende kit worden vervangen.

Brandklasse
Om te voorkomen dat een beginnende brand zich niet snel kan ontwikkelen via de aangrenzende binnenoppervlakten van constructieonderdelen, moet de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie ten minste voldoen aan brandklasse D. Bovendien mag bij een beginnende brand de achterliggende inblaasisolatie niet zodanig opwarmen dat het spontaan kan ontbranden. Door toepassing van een OSB-3-plaat van ten minste 18 mm kan hieraan, in zijn algemeenheid, worden voldaan, mits de randen voldoende brandwerend zijn afgewerkt en de onderlinge naden met mes- en groefverbinding op elkaar aansluiten.

Thermische isolatie

Voor de thermische isolatie van de hier beschreven specifieke dakconstructie, zijn hieronder de Rc-waarden berekend op basis van de specifieke opbouw volgens bijlage C van de NTA 8800. Voor deze specifieke opbouw van de dakconstructie mogen de volgende Rc-waarden worden gebruikt.

Dikte isolatiepakket [mm]Rc D 5.1 [m2K/W]
1503,3
2004,1
2254,6
2505,0
2755,4
3005,8
3506,7

Tabel 1 Rc-waarden van dakconstructie D 5.2 bij verschillende dikten van de isolatie en bij een houtpercentage van 6 % (gordingen) in het isolatiepakket.

  1. Waterdampdoorlatendheid
    In de opbouw van deze constructie D 5.2 is aan de binnenzijde, direct achter de binnenbeplating en over de houten rachels heen, een dampremmende folie of een dampvariabele klimaatfolie aangebracht. Zie ook de paragraaf luchtdichtheid onder Renovatiedetails – algemene regels. Hierdoor wordt het gewicht van de strovulling gedragen door de rachels en de beplating samen en heeft de toe te passen folie zelf, geen constructieve functie. Zie ook de eerdere paragraaf over binnenbeplating.
  2. Geluidwering
    Isolatie van de dakconstructie draagt bij aan de geluidwering voor geluid van buiten. Ter indicatie kan hiervoor een RA,traffic = 30 – 35 dB(A) worden gehanteerd.
Building Balance

Meer weten?

Neem contact met ons op via info@buildingbalance.eu