Met strovulling nageïsoleerde gordingenkap van voor 1975, dragend op houten rachels en binnenbeplating

Hellende daken tot 1975 werden bij nieuwbouw meestal niet geïsoleerd. Als het bestaande dak op dit moment geen lekkage vertoont, kan tussen de gordingen van binnenuit een plantaardige vezelisolatie worden ingeblazen tussen het dakbeschot en de aan te brengen rachels en binnenbeplating onder de gordingen langs. 

Om deze warmteweerstand te realiseren kan het nodig zijn om de standaardgordingen op te dikken. Daardoor kan het extra gewicht van de inblaasisolatie voldoende worden opgevangen en kan een voldoende dik isolatiepakket worden aangebracht.

Constructieve sterkte en doorbuiging

Als opbouw van de bestaande dakconstructie zijn voor de biobased bouwdetails de hieronder beschreven uitgangspunten gehanteerd. Deze zijn voor de gekozen referentiesituaties bepaald volgens NEN 8700 en de normen uit de Eurocodereeks (NEN-EN 1990 t/m 1995) waarnaar deze norm verwijst. Hierbij zijn de regels voor het niveau voor verbouw leidend geweest. 

Houten gordingen

Voor de bestaande gordingen is uitgegaan van een standaardafmeting van 63 mm x 150 mm met een maximale overspanning 3,7 m als niet doorgaande ligger en een onderlinge afstand tussen de gordingen van 1,05 m. Bovendien is rekening gehouden met de aanwezigheid van PV/PVT-panelen op het dak met een gewicht van maximaal 20 kg/m2.

Vanwege de toename in gewicht door het inblazen van plantaardige vezelisolatie, is het vaak nodig om de bestaande gordingen op te dikken, zodat het extra gewicht via deze gordingen kan worden afgedragen en de doorbuiging beperkt blijft. Hiervoor zijn meerdere mogelijkheden. In de details met deze dakopbouw zijn twee mogelijkheden getekend.

  1. Opdikken van bestaande gordingen
    De gordingen worden opgedikt door het volledig verlijmen van een balk op de bestaande gording en die balk met bouten M12, h.o.h. 200 mm aanvullend mechanisch te bevestigen. De opgedikte gordingen zijn daardoor voldoende sterk om het aanvullende gewicht van de isolatie af te dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken.

De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 04-01-2024, met kenmerk LKE/230343NOT01.

2. Toevoegen van nieuwe gordingen voor krachtsafdracht van het extra gewicht
De bestaande gordingen blijven de bestaande dakconstructie dragen. Het toe te voegen gewicht wordt gedragen door nieuw aan te brengen gordingen tegen de bestaande gordingen aan. Daarbij wordt geen koppeling gemaakt tussen de bestaande en nieuwe gordingen. De nieuwe gordingen worden met metalen balkschoenen bevestigd aan de wanden aan weerszijden. Over de nieuwe gordingen worden rachels aangebracht. Deze dragen niet alleen het gewicht van het inblaasstro en de binnenafwerking, maar voorkomen ook het ‘kippen’ (torderen) van de nieuw aangebrachte gordingen. De verticale krachten die daardoor via de rachels naar beneden worden afgedragen, moeten verder naar beneden worden afgedragen op het knieschot dat op de grond is gemonteerd.  

De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 22-04-2024, met kenmerk LKE/230343NOT03.

Sterkte en doorbuiging van dampremmende folie en houten rachels

In deze constructieopbouw worden rachels gemonteerd onder de gordingen. Daaroverheen wordt een folie en een binnenbeplating gemonteerd. Rachels en binnenbeplating samen moeten voldoende draagkrachtig zijn om het gewicht van het inblaasstro te kunnen dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken. Dat betekent dat er constructieve eisen gesteld worden aan de toe te passen rachels en binnenbeplating. Hiervoor zijn constructieve berekeningen uitgevoerd door Vericon. Deze zijn vastgelegd in het rapport van Vericon van 22-03-204 met kenmerk LKE/230343NOT02.

De constructieve sterkte en doorbuiging van de houten rachels en de daaroverheen bevestigde binnenbeplating is afhankelijk van de dichtheid (volumieke massa) van het inblaasstro (1), de dikte van het isolatiepakket (2) en van de overspanning tussen de gordingen (3). In de constructieve berekeningen zijn een aantal varianten hiervan berekend die hebben geleid tot de houten rachels zoals getekend in de biobased bouwdetails waarin deze constructieopbouw is gebruikt.

  1. Rachels
    Uitgangspunt is dat de houten rachels doorgaand over ten minste drie gordingen worden gemonteerd. Bij montage over twee zullen zwaardere rachels moeten worden toegepast om de doorbuiging te beperken.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,05 m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 28 mm x 58 mm.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m en afstand tussen rachels h.o.h. 200 mm: 28 mm x 58 mm of 28 x 70 mm bij toepassing van isolatiepakketten > 30 kg/m2
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 44 mm x 44 mm.

De rachels moeten worden bevestigd met twee schroeven per bevestigingspunt, ∅ 5 mm en inschroefdiepte ≥ 2x racheldikte.

2. Binnenbeplating
Tussen twee rachels in wordt het gewicht van de losse vezelisolatie gedragen door de binnenbeplating. Deze binnenbeplating moet voldoende constructieve sterkte hebben om dit isolatiepakket te dragen. Bovendien moet de doorbuiging van de binnenbeplating beperkt blijven. De beplating wordt constructief belast en daarom kan niet elke beplating worden toegepast: voor veel gipsbeplatingen is de sterkte voor constructieve belasting niet of onvoldoende bepaald. Desondanks zijn er zeker gipsbeplatingen op de markt waarvan de constructieve sterkte en maximale doorbuiging in de overspanning tussen twee rachels wel aantoonbaar kan voldoen. Desondanks wordt in deze biobased bouwdetails in zijn algemeenheid geadviseerd om constructief belaste beplatingen in hout uit te voeren, bijvoorbeeld een OSB-3-beplating. Meer info over de constructieve belasting van platen vind je in het daarvoor opgestelde rapport van Vericon van 22-03-204 met kenmerk LKE/230343NOT02.

Indien houten beplating wordt toegepast als binnenafwerking, moet uiteraard wel voldaan kunnen worden aan de regels voor brandveiligheid. Daar wordt hieronder op ingegaan onder het kopje ‘brandveiligheid’ hieronder.

Brandveiligheid

Qua brandveiligheid geldt dat ten minste moet worden voldaan aan de regels die het Bbl stelt aan de wbdbo tussen woningen en aan de regels die het Bbl stelt aan de brandklasse van de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie. 

Wbdbo
Voor de dakconstructie zelf geldt geen wbdbo-eis, omdat de dakconstructie geen scheiding tussen twee woningen vormt. Tegelijkertijd behoren de plantaardige vezelisolaties tot de brandbare isolatiematerialen. Daarom is een voldoende brandwerende afscherming aan de binnenzijde van groot belang. In deze constructieopbouw is hiervoor een OSB-3-beplating van ten minste 18 mm toegepast. Deze dient volgens de verwerkingsvoorschriften van de leverancier te worden gemonteerd en de platen moeten onderling met een mes en groefverbinding op elkaar aansluiten. Stuiknaden zijn niet toegestaan om de vlamdichtheid voldoende te borgen. Bovendien moeten de randen voldoende brandwerend worden afgewerkt. Een eventuele brand kan de biobased inblaasisolatie dan voldoende lang niet bereiken (zo’n 20 minuten). Hiervoor geldt dat de randen van de platen altijd op achterhout gemonteerd moeten worden en dat aan de buitenzijde een houten afwerkplint moet worden toegepast. Bij toepassing van een houten binnenbeplating mag de houten afwerkplint niet zonder meer door brandwerende kit worden vervangen.

Brandklasse
Om te voorkomen dat een beginnende brand zich niet snel kan ontwikkelen via de aangrenzende binnenoppervlakten van constructieonderdelen, moet de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie ten minste voldoen aan brandklasse D. Bovendien mag bij een beginnende brand de achterliggende inblaasisolatie niet zodanig opwarmen dat het spontaan kan ontbranden. Door toepassing van een OSB-3-plaat van ten minste 18 mm kan hieraan, in zijn algemeenheid, worden voldaan, mits de randen voldoende brandwerend zijn afgewerkt en de onderlinge naden met mes- en groefverbinding op elkaar aansluiten.

Thermische isolatie

Voor de thermische isolatie van de hier beschreven specifieke dakconstructie, zijn hieronder de Rc-waarden berekend op basis van de specifieke opbouw volgens bijlage C van de NTA 8800. Voor deze specifieke opbouw van de dakconstructie mogen de volgende Rc-waarden worden gebruikt.

Dikte isolatiepakket [mm]Rc D 5.1 [m2K/W]
1503,3
2004,1
2254,6
2505,0
2755,4
3005,8
3506,7

Tabel 1 Rc-waarden van dakconstructie D 5.2 bij verschillende dikten van de isolatie en bij een houtpercentage van 6 % (gordingen) in het isolatiepakket.

  1. Waterdampdoorlatendheid
    In de opbouw van deze constructie D 5.2 is aan de binnenzijde, direct achter de binnenbeplating en over de houten rachels heen, een dampremmende folie of een dampvariabele klimaatfolie aangebracht. Zie ook de paragraaf luchtdichtheid onder Renovatiedetails – algemene regels. Hierdoor wordt het gewicht van de strovulling gedragen door de rachels en de beplating samen en heeft de toe te passen folie zelf, geen constructieve functie. Zie ook de eerdere paragraaf over binnenbeplating.
  2. Geluidwering
    Isolatie van de dakconstructie draagt bij aan de geluidwering voor geluid van buiten. Ter indicatie kan hiervoor een RA,traffic = 30 – 35 dB(A) worden gehanteerd.

Biobased bouwdetails – Algemene uitgangspunten

CO2-opslag algemeen

Door toepassing van biobased producten uit plantaardige vezels kun je CO2 duurzaam opslaan. Uit onderzoek, o.a. volgens de eisen uit de NEN-EN 15804:2012+A2:2019, is gebleken dat 1 kg koolstof, opgeslagen in plantaardige vezels gelijk staat aan het vastleggen van een 44/12e deel van de CO2 in de lucht.

CO2-opslag van Inblaasstro
Strovezels, zoals voor inblaasisolatie, bestaan voor 47,2% uit CO2. Dat betekent dat per kg strovezelisolatie 1,73 kg CO2 uit de lucht wordt vastgelegd (0,472 x 44/12). 

Om stro te verwerken tot ingeblazen stro-isolatie is verwerking van het stro nodig waarmee juist CO2 wordt uitgestoten. Voor graanstro wordt dit, vooralsnog indicatief, geschat op 15%. Dat betekent dat de emissiereductie van stro uiteindelijk niet 100%, maar 100-15 = 85% is. Effectief wordt voor elke kg stro daarom (indicatief) 1,73 x 85% = 1,47 kg CO2 uit de lucht opgeslagen.

In de bouwdetails is de hoeveelheid CO2-opslag in kg/m2 indicatief vermeld op basis van een volumieke massa van 85 kg/m3 (zie hieronder). In deze indicatieve prestatie is rekening gehouden met een houtpercentage van 6%, zoals ook in de Rc-berekeningen voor dakrenovatie van bestaande gordingenkappen is gehanteerd.

Volumieke massa van inblaasstro

In de bouwdetails die zijn opgesteld voor dakrenovatie van ongeïsoleerde gordingenkappen (eerste helft van 2024) is gebruik gemaakt van onderstaande uitgangspunten:

  • Dichtheid van het stro variërend van 85 kg/m3 tot 120 kg/m3.
  • Warmtegeleidingscoëfficiënt voor het stro: λreken = 0,055 W/(mK)

Voor het inblazen van stro kunnen strovezels van verschillende lengtes worden toegepast. Op dit moment wordt onderzocht welke impact verschillen in vezellengte en verschillen in volumieke massa (dichtheid) van het ingeblazen stro, hebben op de warmtegeleidingscoëfficiënt (λ-waarde) van het inblaasstro. 

Voor het berekenen van de warmteweerstand van constructies met stro-isolatie kan gebruik gemaakt worden van de rekenwaarde voor de warmtegeleidingscoëfficiënt die is vastgelegd in de gelijkwaardigheidsverklaring van BCRG. Hierin zijn Rc-waarden vastgelegd voor verschillende dikten van isolatiepakketten van inblaasstro. Deze zijn bepaald op basis van de forfaitaire methode uit bijlage I van de NTA 8800. In alle hieronder beschreven referentieconstructies is de Rc-waarde wat exacter bepaald op basis van de precieze opbouw van de constructie en op basis van een berekening volgens bijlage C van NTA 8800

Brand- en rookklasse van binnenafwerkingen

Zowel in nieuwbouw als in verbouw moeten binnenafwerkingen ten minste voldoen aan brandklasse D en rookklasse s2. In alle biobased bouwdetails voor grondgebonden woningen is ervan uitgegaan dat de binnenafwerking minimaal voldoet aan deze brand- en rookklasse. De binnenafwerking moet verder zodanig zijn dat de temperatuur aan de niet-brandzijde,  gedurende zo’n 20 minuten, voldoende laag blijft om pyrolyse van het stro en evt. zelfontbranding te voorkomen. 

Naast de veel toegepaste gipskarton- en gipsvezelplaten (minimaal 12,5 mm i.v.m. voorkomen pyrolyse en vlak afgewerkt vanwege vlamdichtheid), kan ook een OSB-plaat voldoen aan brandklasse D en rookklasse s2. Indien een OSB-plaat voldoet aan de minimaal vereiste brand- en rookklasse, mag die, voor zover er geen aanvullende eisen m.b.t. brandwerendheid gelden, als eindafwerking worden toegepast, mits ten minste 18 mm (voorkomen pyrolyse) en mits er geen stuiknaden in zijn opgenomen (vlamdichtheid).

Biobased bouwdetails – Opbouw

De, te downloaden, biobased bouwdetails zijn systematisch opgebouwd en voorzien van veel extra informatie. Hieronder worden de verschillende elementen hierin nader toegelicht.

Detailcode

De biobased bouwdetails zijn voorzien van een specifieke detailcode die als volgt is opgebouwd: Kk – vvv.

DetailcodeOmschrijving
KkNr. van het specifieke knooppunt volgens onderstaande figuur.
vvvOpvolgend uniek variantnummer voor betrefffende knooppunt.

 

Figuur 1 Nummering in knooppunten in biobased bouwdetails 

Constructieonderdelen en bouwfysische prestaties

Op het tweede blad van elk biobased bouwdetail zijn de relevante bouwfysische prestaties opgenomen. Vaak hoort een bouwfysische prestatie bij het zgn. ‘m2-pakket’ van een constructieonderdeel waaruit het detail is opgebouwd. De betreffende prestatie is dan ook beschreven bij dat betreffende constructieonderdeel. 

De Rc-waarden van de constructieonderdelen zijn bepaald volgens bijlage C van de NTA 8800.

Elk constructieonderdeel is voorzien van een codering die vermeld is op dit tweede blad. De uitgangspunten die in de details zijn gehanteerd voor elk constructieonderdeel, zijn te vinden in de toelichtende teksten hierover op deze website.

Sommige prestaties zijn juist afhankelijk van de aansluiting van constructieonderdelen op elkaar in het detail. Deze prestaties zijn ook vermeld op het tweede blad van elk biobased bouwdetail.

Aandachtspunten

Op het tweede blad van elk detail zijn ook een aantal aandachtspunten beschreven. Deze aandachtspunten maken integraal onderdeel uit van het detail en zijn belangrijk om te beschouwen als het detail in de praktijk wordt toegepast in eenzelfde of iets afwijkende vorm.

Aandachtspunten zijn onderverdeeld in:

  • Waarschuwingen
  • Ontwerpaanbevelingen
  • Uitvoeringsaanbevelingen
  • Toepassingsvoorwaarden

Prestatielayers

In een prestatielayer wordt een principe voor een prestatie van het detail visueel inzichtelijk gemaakt door de relevante onderdelen in het detail die essentieel zijn voor het behalen van de prestatie, met een kleurvlak zijn aangegeven. Pijlen en grenslijnen ondersteunen de weergave. Niet alle prestatielayers zijn even relevant bij een detail. Alleen de relevante prestatielayers zijn als tekeningblad bij het biobased bouwdetail toegevoegd.

De hieronder toegelichte prestatielayers kunnen worden onderscheiden.

Thermische isolatie
Aangegeven zijn de delen van gesloten constructieonderdelen die zijn meegenomen in de Rc-berekening. Tevens zijn de begrenzingen van de gesloten constructieonderdelen aangegeven volgens bijlage K van de NTA 8800. De in het detail vermelde producten vormen de basis van de vermelde Rc-waarde. Deze is berekend volgens bijlage C van de NTA 8800.

Thermische brug
Lijnvormige warmteverliezen worden weergegeven als Ψ-waarde (psi-waarde). Deze waarde kan gebruikt worden in de verplichte BENG-berekening voor nieuwbouw. Voor verbouw is de Ψ-waarde minder van belang en wordt daarom niet vermeld. De schematisering voor de Ψ-waarde is complementair aan die voor open en gesloten geveldelen volgens bijlage K van de NTA 8800.

Waterdichtheid
Biobased bouwmaterialen lenen zich in principe goed voor dampopen bouwen. Desondanks moet dampopen bouwen altijd met de nodige voorzichtigheid en met kennis en kunde worden toegepast om teveel inwendige condensatie in de constructie te voorkomen. In dampremmende constructies wordt aan de binnenzijde van de constructie een damprem aangegeven. Deze is weergegeven in de prestatielayer. Om meer dampopen te bouwen kan ook een dampvariabele klimaatfolie worden toegepast. Ook deze werkt als een damprem in de winter en opent zich in de zomer, waardoor het in-de constructie-aanwezige vocht naar binnen en buiten kan uitdampen. 

Het helemaal achterwege laten van een folie kan bij renovatie in een steenachtige constructie riskant zijn. Hiervoor dient, per situatie een goede bouwfysische analyse te worden uitgevoerd met de benodigde twee- of driedimensionale berekeningen.

Luchtdichtheid
Alleen de positie van potentiële naden en kieren in de constructie is aangegeven in deze prestatielayer. De hierin weergegeven dichtingen zijn essentieel om voldoende luchtdichting te verkrijgen.

Geluidwering
In de prestatielayer geluidwering wordt uitsluitend de geluidwering tussen ruimten weergegeven. Alle in het detail relevante onderdelen in de aansluiting die belangrijk zijn om de aangegeven geluidwering te behalen, zijn met een kleur weergegeven. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen het luchtgeluid isolatieniveauverschil (DnT,A,k )en de contactgeluidisolatie (LnT,A).

Brandwerendheid
In de prestatielayer brandwerendheid zijn alle relevante onderdelen in het detail aangegeven die essentieel zijn om te kunnen voldoen aan de weerstand tegen branddoorslag (in minuten) die op het tweede blad van het detail is vermeld.

CO2-opslag
De biobased isolatie is hier aangegeven met een kleur. Deze isolatie is de basis voor de indicatieve waarde die op het tweede blad van het detail is vermeld voor de hoeveelheid CO2-opslag die met isolatie met een plantaardige vezelisolatie kan worden bereikt.

Renovatiedetails – Algemene regels

Een bestaande constructie moet ten minste voldoen aan de regels voor bestaande bouw. Bij verbouw moeten de te verbouwen onderdelen soms aan zwaardere grenswaarden voldoen dan de bestaande onderdelen. Bij het isoleren van dak- of gevelconstructies van grondgebonden woningen moet rekening gehouden worden met de volgende regels bij verbouw:

Brandwerendheid scheidingsconstructies

Tussen twee woningen geldt een minimale wbdbo van 20 minuten. Dat betekent dat de woningscheidende wand ten minste 20 minuten brandwerend moet zijn, maar ook alle randaansluitingen die mogelijk een branduitbreiding naar de buren kunnen bieden. Indien de bestaande bouwmuur onvoldoende brandwerend is, bijvoorbeeld door gaten t.p.v. balkopleggingen in de wand of ter plaatse van de aansluiting met het dakbeschot, moet dit ten minste bij de delen die raken aan de te verbouwen delen, worden hersteld voordat met de isolatiewerkzaamheden wordt begonnen. Bij herstel wordt de scheidingsconstructie verbouwd en geldt de verscherpte eis voor een wbdbo van 30 minuten.

Brand- en rookklasse

Aan binnen- en buiten grenzende oppervlakken moeten ten minste voldoen aan brandklasse D (of aan de Nederlandse brandklasse 4). Aan binnen grenzende oppervlakken moeten bovendien voldoen aan rookklasse s2 . Dit geldt ook bij verbouw. 

Omdat biobased isolatiematerialen vaak niet voldoen aan deze brand- en/of rookklasse, moeten ze voldoende worden afgeschermd en mogen nooit onafgewerkt worden toegepast.

Geluidwering

Er gelden geen regels voor geluidwering tussen binnen en buiten in bestaande bouw (gevels en daken). Ook voor de geluidwering tussen ruimten, zoals een naastgelegen woning, gelden geen regels voor bestaande bouw. Bij verbouw gelden ook geen verscherpte regels voor geluidwering tussen binnen en buiten en tussen ruimten. 

Desondanks zal de geluidwering wel toenemen als gevolg van het isoleren van een gevel- of dakconstructie. In de referentieconstructies die gebruikt worden in de biobased bouwdetails zijn, waar mogelijk indicatieve geluidwaarden opgenomen voor RA,traffic (geluid tussen binnen en buiten) en de DnT,A;k (luchtgeluid tussen ruimten). 

Wering van geluid van buiten
Isolatie met plantaardige vezelisolatie biedt een betere geluidwering dan bijvoorbeeld isolatie met een traditionele EPS-isolatie. Indicatief kunnen hiervoor de volgende waarden worden aangehouden:

ConstructieRA,traffic  [dB]RA,traffic  [dB]
Stro-isolatie (indicatief)EPS-isolatie (indicatief)
Nageïsoleerd hellend dakconstructie30 – 35 dB25 dB

Tabel 1 Indicatieve geluidwaarden renovatieconstructies

Wering van geluid tussen woningen
Geluidisolatie tussen woningen wordt na het isoleren van het dak aanzienlijk verbeterd, doordat de flankerende geluidoverdracht afneemt. De uiteindelijk resulterende geluidisolatie tussen de woningen wordt dan voornamelijk bepaald door de aanwezige wandconstructie en de detaillering van de aansluiting van het dak op de bouwmuur.

Afhankelijke van de exacte opbouw van de wand is een DnT,A;k (luchtgeluidisolatieniveauverschil) van 50 dB te realiseren, mits de panlatten niet doorlopen. Ter vergelijking: voor nieuwbouw geldt richting een verblijfsruimte in een andere woning een minimale DnT,A;k ≥ 52 dB. Deze waarde kan bij renovatie niet geheel worden gehaald. Richting overige ruimten geldt bij nieuwbouw een minimale DnT,A;k ≥ 47 dB. Deze waarde zal hoogstwaarschijnlijk wel worden gehaald. 

Thermische isolatie

Voor bestaande bouw bestaan geen regels voor minimale warmteweerstanden van klimaatscheidende constructies. Bij verbouw moet wel aan minimale warmteweerstanden (Rc-waarden) worden voldaan.

Deze zijn hieronder weergegeven:

Type verbouwConstructieonderdeelRc [m2K/W]
Verbouw van niet eerder geïsoleerde vloer, gevel, dakVloer, gevel, dak1,4
Vervangen van isolatielaagVloer/BG-vloer2,6
Gevel1,4
Dak2,1
Ingrijpende renovatie (verbouw van > 25% van de gebouwschil)BG-vloer6,3
Gevel4,7
Dak/vloer6.3

Tabel 1 Minimale warmteweerstanden bij verbouw

Netto warmtevraag
Woningcorporaties moeten voor huurwoningen voldoen aan de maximum netto warmtevraag, uitgedrukt in kWh/m2. De netto-warmtevraag kan bij renovatie daarom worden ingezet als sturingsinstrument voor de mate van benodigde thermische isolatie van de woning. Het beperken van transmissieverlies door vloeren, gevels en daken draagt in hoge mate bij aan het beperken van warmteverlies en is dus van grote invloed om te kunnen voldoen aan de vereiste netto warmtevraag. Ook het beperken van infiltratieverliezen (luchtdicht bouwen) draagt hieraan bij. Het is niet eenvoudig om voor een woning vooraf te bepalen welke warmteweerstand minimaal gerealiseerd moet worden om aan de maximum netto-warmtevraag te kunnen voldoen. Op basis van verschillende berekeningen aan referentie-tussenwoningen is globaal wel duidelijk dat er minimale Rc-waarden voor vloeren, gevels en daken gerealiseerd moeten worden.  Dit is hieronder weergegeven. 

Type constructieonderdeelMinimale (indicatieve) Rc-waarde [m2K/W]
BG-vloer3,5 – 4,0
Gevel1,7 – 3,0
Dak4,5

Tabel 2 Indicatieve warmteweerstanden tussenwoningen om aan netto-warmtevraag te kunnen voldoen.

De biobased bouwdetails voor renovatie zijn zodanig dat hier ruim aan voldaan kan worden. 

Om aan te tonen of een woning werkelijk aan de maximum netto-warmtevraag kan voldoen, moet de netto-warmtevraag worden bepaald uit de BENG-berekening volgens de NTA 8800.

Luchtdichtheid

Ventilatie
Essentieel is dat een woning goed wordt geventileerd. In een bestaande ongeïsoleerde constructie gebeurt dit vaak via infiltratie van lucht door naden en kieren. Bij naïsolatie wordt de luchtdichtheid van de constructie behoorlijk verbeterd. Dat betekent dat de ventilatie op een andere manier, beheersbaar moet worden geregeld. Ventilatie moet ten minste voldoen aan de regels die het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving) hieraan stelt. Dit geldt zowel voor de toepassing van dampopen als voor een dampdichte constructies.

Beperken vochttransport via luchtlekken
Een goede luchtdichting van naden is niet alleen van belang om ongecontroleerde infiltratie en daarmee warmteverlies te voorkomen, maar het is ook essentieel om vochttransport naar de dakconstructie te voorkomen. Dit vochttransport via naden kan een veelvoud zijn ten opzichte van vochttransport door diffusie. Tevens vermindert de kans op lekkage door een goede luchtdichting aan de warme zijde, omdat water niet naar binnen kan worden gezogen als gevolg van luchtdrukverschillen tussen binnen en buiten. 

In de biobased bouwdetails zijn luchtdichtingen aangegeven bij naadafwerkingen. Bij doorvoeren is extra aandacht vereist voor de luchtdichtingen. Bij voorkeur wordt daar alleen gewerkt met prefab luchtdichtingsmanchetten om een goede aansluiting tussen doorvoer en constructie te waarborgen. 

Waterdampdoorlatendheid

Indien in de bestaande situatie blijkt dat op het dakbeschot, onder de dakpannen weliswaar een waterkerende laag is aangebracht, maar dat die niet dampopen of dampdoorlatend is, moet de dakconstructie aan de binnenzijde met een voldoende dampremmende laag worden uitgevoerd. Een dampopen constructie is dan niet mogelijk. Voor uitvoering van de isolatiewerkzaamheden van binnenuit, dient dit altijd bekeken te worden. 

Dampremmende folie
Door een geïsoleerde constructie dampremmend uit te voeren, wordt voorkomen dat vocht vanuit de warme zijde de constructie kan binnendringen. Hierdoor wordt voorkomen dat er inwendige condensatie in de constructie kan plaatsvinden als gevolg van een lage temperatuur aan de koude zijde van de constructie. Belangrijk is dat de constructie naar buiten toe altijd steeds meer dampdoorlatend wordt, zodat de vocht altijd naar buiten kan diffunderen. 

Dampopen bouwen en toepassing van de variabele klimaatfolie
Er is steeds meer aandacht voor dampopen bouwen. Een dampopen constructie neemt vocht op uit een binnenruimte met een relatief hoge luchtvochtigheid en dat vocht verdampt weer in een relatief droge situatie in de binnenruimte. Dit draagt (in beperkte mate) bij aan een comfortabel binnenklimaat. Bovendien draagt de verdamping van vocht uit de constructie in een droge situatie ook (beperkt) bij aan het koelen van de ruimte (adiabatische koeling). Een vochtige constructie moet echter tijdig weer drogen en mag niet te lang nat blijven. Een langdurig natte constructie kan leiden tot schade als gevolg van rot en schimmel.

Figuur 1 Stijging relatieve vochtigheid van binnen naar buiten in een dampopen dakconstructie

Volledig dampopen bouwen
Het volledig dampopen bouwen zonder toepassing van een damprem is soms mogelijk. Daarbij blijft het uitgangspunt gelden dat de constructie naar buiten toe steeds meer dampdoorlatend moet zijn. Dat betekent dat de aan de warme zijde van de constructie toegepaste producten, beter dampremmend moeten zijn dan de producten die verder naar de buitenzijde worden toegepast. Hier kan op verschillende manieren aan gerekend worden. 

Dampvariabele folie toepassen
Bij renovatie van woningen moet voorkomen worden dat teveel vocht in de, met plantaardige vezelisolatie, nageïsoleerde constructie leidt tot langdurige inwendige condensatie. Uitgebreider onderzoek, via gerichte vochtberekeningen, is nodig om volledig dampopen bouwen mogelijk te maken in renovatie.

In de biobased bouwdetails voor renovatie is daarom bij ‘dampopen bouwen’ altijd gebruik gemaakt van een dampvariabele klimaatfolie. Bij toepassing van een dampvariabele folie is de dampdoorlatendheid afhankelijk van de luchtvochtigheid: in de winter, bij een hoge relatieve luchtvochtigheid aan de warme zijde, wordt de folie dampremmend (Sd ≥ 25 m). Hierdoor kan vochtige warme binnenlucht niet in de constructie dringen en condenseren tegen de koude buitenzijde van de constructie.

In de zomer, bij warm en droog weer, wordt de folie extra dampdoorlatend (Sd ≤ 0,25 m) en kan wel tot 500 g/m2 vocht per week naar binnen afvoeren uit de constructie. Hierdoor droogt de isolatie en door verdamping van dit vocht ontstaat ook een koelend effect in de ruimte (adiabatische koeling).

Waterdichtheid

Bij het isoleren van ongeïsoleerde hellende daken met een biobased inblaasisolatie is het van belang dat de bestaande constructie goed waterdicht is. Dit dient voorafgaand aan de isolatiewerkzaamheden te worden vastgesteld. Bovendien is het van belang dat de kans op een toekomstige lekkage minimaal is. Daarom is in de geïsoleerde dakconstructies in deze biobased bouwdetails uitgegaan van een waterkerende dampopen folie (wkdo-folie) die reeds aanwezig is op het bestaande dakbeschot. Hierdoor is een extra waterdichting onder de dakpannen aanwezig waardoor schade aan het biobased isolatiepakket, als gevolg van een eventuele lekkage, geminimaliseerd wordt.

Figuur 2: Oude lekkage, zichtbaar in ongeïsoleerde dakconstructie (foto: Takkenkamp Groep)

Indien geen wkdo-folie aanwezig is en die ook niet wordt aangebracht, kan het stropakket zich bij een daklekkage, volzuigen met water zonder dat dit aan de binnenzijde tijdig gesignaleerd wordt. 

Kabels, leidingen en kanalen: aanwezigheid en doorvoeren

Figuur 3: Bestaande leidingen en kanalen t.p.v. dak (foto: Takkenkamp Groep)

Bij het naïsoleren van bestaande constructies van binnenuit, zijn vaak bestaande kabels en leidingen aanwezig ter plaatse van de te isoleren constructieonderdelen. Ook kunnen doorvoeren aanwezig zijn die door de constructie heen voeren. Als er geen onregelmatigheden in de isolatiewaarde te verwachten zijn en als er geen hinder van te verwachten is bij het uitvoeren van de isolatiewerkzaamheden, hoeft het geen probleem te zijn om dit te laten zitten. Het is belangrijk om doorbrekingen door de binnenbeplating echter altijd luchtdicht af te werken en te zorgen dat bij brand het isolatiepakket niet bereikbaar wordt via de openingen in de binnenbeplating. Hieronder is dit nader toegelicht.

Luchtdichtheid
Zoals hierboven al beschreven in de paragraaf over luchtdichtheid is het van belang om openingen in de binnenbeplating goed luchtdicht te maken om te voorkomen dat vocht de constructie in kan trekken en om de kans op lekkages te verkleinen door luchtstromingen als gevolg van drukverschillen tussen binnen en buiten te voorkomen. De luchtdichting van elektrakabels en waterleidingen heeft, naast luchtdichting, meteen ook een brandwerende functie ter plaatse van de doorvoer door de brandwerende binnenbeplating. Daarom moet dan gekozen worden voor een luchtdichting die meteen een brandwerende afdichting is. Afsmeren met een minerale voegenvuller volstaat hiervoor.

Brandwerendheid

  1. Elektraleidingen
    Elektraleidingen binnen het isolatiepakket vormen geen aanvullend brandveiligheidsrisico, mits ze volledig zijn opgenomen in een mantelbuis. De doorbrekingen door de brandwerende binnenbeplating moeten deugdelijk worden afgewerkt met een minerale voegenvuller om bij brand te voorkomen dat het isolatiepakket bereikt kan worden via de doorbreking.
  2. Wandcontactdozen
    Wandcontactdozen liefst niet plaatsen in brandwerende beplating. Indien het desondanks onvermijdelijk is om toch een wandcontactdoos in een brandwerende beplating te plaatsen, mag dit uitsluitend worden uitgevoerd als een brandwerende wandcontactdoos. Bedrading dient altijd in een mantelbuis te worden aangebracht.
  3. Waterleidingen
    Waterleidingen binnen het isolatiepakket vormen geen aanvullend brandveiligheidsrisico. De doorbrekingen door de brandwerende binnenbeplating moeten deugdelijk worden afgewerkt met een minerale voegenvuller om bij brand te voorkomen dat het isolatiepakket bereikt kan worden via de doorbreking.
  4. Kunststof leidingen en metalen kanalen
    Een rioolontluchting door een dakconstructie, een rookgaskanaal of een afvoerkanaal voor de mechanische ventilatie moet zodanig worden geïsoleerd richting het vezelisolatiepakket dat bij brand vrijkomende warmte niet direct via leiding of kanaal de vezelisolatie kan bereiken. Daarom moeten kunststof leidingen en metalen kanalen, rondom geïsoleerd worden met ten minste 100 mm steenwol van ten minste 35 kg/m.

Figuur 4: Bestaande rioolontluchting door dak (foto: Takkenkamp Groep)

De steenwolisolatie moet geheel sluitend rondom bevestigd worden.Eventueel kunnen ook prefab steenwolschaalconstructies worden toegepast.In de praktijk zullen de doorvoeren niet altijd een gelijkmatige doorsnede hebben, waardoor geïmproviseerd moet worden. Het inpakken van de doorvoeren vraagt de nodige nauwkeurigheid bij de uitvoering.

In de praktijk zullen de doorvoeren niet altijd een gelijkmatige doorsnede hebben, waardoor geïmproviseerd moet worden. Het inpakken van de doorvoeren vraagt de nodige nauwkeurigheid bij de uitvoering.

De binnenzijde van de aansluiting van de doorvoer moet worden afgewerkt met een zgn. gecontramalde aansluiting en luchtdicht worden afgeplakt. Bij voorkeur worden hiervoor zelfklevende prefab manchetten gebruikt. De brandwerendheid is geborgd door de schaalisolatie rondom de doorvoer. De manchet t.p.v. de doorvoer heeft daarom uitsluitend een functie als luchtdichting.

Renovatiedetails – Bestaande constructieonderdelen

In de renovatiedetails van de biobased bouwdetails worden soms bestaande constructies opgenomen die met de renovatie niet of nauwelijks worden aangepast. Hieronder zijn de wettelijke minimumregels en de prestaties hiervan nader toegelicht.

Bestaande bouwmuur, steens metzelwerk

In veel oudere bestaande woningen vind je bouwmuren tussen twee woningen, gemaakt uit steens baksteenmetselwerk. Een dergelijke bestaande bouwmuur zal aan beide zijden meestal voorzien zijn van een gladde afwerking van binnenpleisterwerk,. Op zolder is dat niet altijd zo. Een pleisterafwerking draagt bij aan het voorkomen van kleine openingen in de bouwmuur tussen de twee woningen waardoor geluid, luchtstroming en geuruitwisseling tussen woningen verder wordt voorkomen.

Figuur 3: Bouwmuur, steens metselwerk 

Wettelijke regels
Tussen twee bestaande woningen, die voor 1992 (invoering Bouwbesluit) zijn gebouwd, geldt een beperkt aantal wettelijke regels bij verbouw en renovatie. 

  1. Brandveiligheid
    De bouwmuur tussen de woningen moet ten minste 20 minuten brandwerend zijn. Een steens bouwmuur haalt eenvoudig een brandwerendheid van 60 minuten. Indien vloer- of dakbalken zijn opgelegd in de muur, moeten de openingen echter wel volledig zijn afgedicht met een mortel of met een onbrandbare wolisolatie. Ook ter plaatse van aansluitingen op vloeren, gevels en daken moeten de aansluitingen volledig zijn afgedicht. Als bij renovatie van de gevel of het dak blijkt dat de aansluiting naar de buren openingen bevat, moeten die eerst brand- en rookwerend worden afgedicht voordat met de gevel- of dakrenovatie verder kan worden gegaan.
  2. Geluidwering
    Voor de geluidwering tussen twee bestaande woningen gelden geen wettelijke regels. Uiteraard levert het wel extra woonkwaliteit op als geluidwerende maatregelen worden getroffen ter plaatse van de bouwmuur.

Prestaties
De volgende prestaties zijn bij toepassing van deze bouwmuurconstructie in de biobased bouwdetails als uitgangpunt gehanteerd:
Wbd > 30 minuten
RA,tr ≥ 50 dB

Bestaande spouwmuur, nageïsoleerd

In veel oudere bestaande woningen van voor 1975 vind je ongeïsoleerde gemetselde spouwmuren als gevel. Dergelijke gevels bestaan uit een buitenspouwblad van schoon gevelmetselwerk, een luchtspouw en een binnenspouwblad van vuil metselwerk. In de renovatiedetails wordt ervan uitgegaan dat dergelijke gevels ten minste worden nageïsoleerd door toepassing van een inblaasisolatie. Hiervoor zijn verschillende producten op de markt die ongevoelig zijn voor vocht. Isolatiematerialen afkomstig van plantaardige vezels zijn over het algemeen wel gevoelig voor vocht en daarom niet geschikt voor toepassing als inblaasisolatie in een bestaande spouw. 

Figuur 4: Bestaande spouwmuur, nageïsoleerd 

Voor meer informatie over het naïsoleren van luchtspouwen, zie link.

  1. Wettelijke regels
    Bij verbouw en renovatie gelden geen specifieke regels voor bestaande buitengevels. Wel dient de buitengevel waterdicht te zijn en te blijven, ook na renovatie. Indien een bestaande spouwmuur niet geïsoleerd wordt terwijl aansluitende gevels en daken wel geïsoleerd worden, bestaat kans op zogenaamde koudebruggen.
  2. Prestaties
    De volgende prestaties zijn bij toepassing van deze gevelconstructie in de biobased bouwdetails als uitgangpunt gehanteerd: Rc = 1,4 m2K/W

Bestaande kamerscheidende betonvloer met cementdekvloer

Bij de renovatiedetails is nu uitgegaan van een bestaande betonvloer (180 mm) met daarop een bestaande cementdekvloer van 30 mm. Deze monoliete vloer is een vloer binnen de woning.

  1. Wettelijke regels
    Vanuit de regels voor bestaande bouw gelden hiervoor geen regels voor geluidwering. Desondanks zal de vloer wel bijdragen aan de geluidwering tussen ruimtes binnen de woning. 
  2. Prestaties
    De lucht- en contactgeluidisolatie van de vloeren zullen niet wijzigen, omdat de opbouw niet wijzigt. Met deze opbouw van de vloer wordt een goede lucht- en contactgeluidisolatie gehaald, die zelfs ruim voldoet aan de nieuwbouweisen. 

Met strovulling nageïsoleerde gordingenkap van voor 1975, dragend op houten rachels en folie

Hellende daken tot 1975 werden bij nieuwbouw meestal niet geïsoleerd. Als het bestaande dak op dit moment geen lekkage vertoont, kan tussen de gordingen van binnenuit een plantaardige vezelisolatie worden ingeblazen tussen het dakbeschot en de aan te brengen folie met rachels  onder de gordingen langs.

Om deze warmteweerstand te realiseren kan het nodig zijn om de standaardgordingen op te dikken. Daardoor kan het extra gewicht van de inblaasisolatie voldoende worden opgevangen en kan een voldoende dik isolatiepakket worden aangebracht.

Constructieve sterkte en doorbuiging

Als opbouw van de bestaande dakconstructie zijn voor de biobased bouwdetails de hieronder beschreven uitgangspunten gehanteerd. Deze zijn voor de gekozen referentiesituaties bepaald volgens NEN 8700 en de normen uit de Eurocodereeks (NEN-EN 1990 t/m 1995) waarnaar deze norm verwijst. Hierbij zijn de regels voor het niveau voor verbouw leidend geweest. 

Houten gordingen
Voor de bestaande gordingen is uitgegaan van een standaardafmeting van 63 mm x 150 mm met een maximale overspanning 3,7 m als niet doorgaande ligger en een onderlinge afstand tussen de gordingen van 1,05 m. Bovendien is rekening gehouden met de aanwezigheid van PV/PVT-panelen op het dak met een gewicht van maximaal 20 kg/m2.

Vanwege de toename in gewicht door het inblazen van plantaardige vezelisolatie, is het vaak nodig om de bestaande gordingen op te dikken, zodat het extra gewicht via deze gordingen kan worden afgedragen en de doorbuiging beperkt blijft. Hiervoor zijn meerdere mogelijkheden. In de details met deze dakopbouw zijn twee mogelijkheden getekend.

  1. Opdikken van bestaande gordingen
    De gordingen worden opgedikt door het volledig verlijmen van een balk op de bestaande gording en die balk met bouten M12, h.o.h. 200 mm aanvullend mechanisch te bevestigen. De opgedikte gordingen zijn daardoor voldoende sterk om het aanvullende gewicht van de isolatie af te dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken.De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 04-01-2024, met kenmerk LKE/230343NOT01.
  2. Toevoegen van nieuwe gordingen voor krachtsafdracht van het extra gewicht.
    De bestaande gordingen blijven de bestaande dakconstructie dragen. Het toe te voegen gewicht wordt gedragen door nieuw aan te brengen gordingen tegen de bestaande gordingen aan. Daarbij wordt geen koppeling gemaakt tussen de bestaande en nieuwe gordingen. De nieuwe gordingen worden met metalen balkschoenen bevestigd aan de wanden aan weerszijden. Over de nieuwe gordingen worden rachels aangebracht. Deze dragen niet alleen het gewicht van het inblaasstro en de binnenafwerking, maar voorkomen ook het ‘kippen’ (torderen) van de nieuw aangebrachte gordingen. De verticale krachten die daardoor via de rachels naar beneden worden afgedragen, moeten verder naar beneden worden afgedragen op het knieschot dat op de grond is gemonteerd.

De constructieve berekeningen die hieraan ten grondslag liggen, zijn terug te vinden in het rapport van Vericon van 22-04-2024 met kenmerk LKE/230343NOT03.

Sterkte en doorbuiging van dampremmende folie en houten rachels
In deze constructieopbouw wordt een folie gemonteerd over de gordingen. Daaroverheen worden houten rachels gemonteerd die overspannen tussen de gordingen. De rachels ondersteunen de folie. Folie en rachels samen moeten voldoende draagkrachtig zijn om het gewicht van het inblaasstro te kunnen dragen en om de doorbuiging voldoende te beperken. Dat betekent dat er constructieve eisen gesteld worden aan de toe te passen folie en aan de hieronder te plaatsen rachels. Hiervoor zijn constructieve berekeningen uitgevoerd door Vericon. Deze zijn vastgelegd in het rapport van Vericon van 22-03-204 met kenmerk LKE/230343NOT02.

De constructieve sterkte en doorbuiging van de folie en van de houten rachels tussen de gordingen is afhankelijk van de dichtheid (volumieke massa) van het inblaasstro (1), de dikte van het isolatiepakket (2) en van de overspanning tussen de gordingen (3). In de constructieve berekeningen zijn een aantal varianten hiervan berekend die hebben geleid tot de houten rachels zoals getekend in de biobased bouwdetails waarin deze constructieopbouw is gebruikt.

  1. Rachels
    Uitgangspunt is dat de houten rachels doorgaand over ten minste drie gordingen worden gemonteerd. Bij montage over twee zullen zwaardere rachels moeten worden toegepast om de doorbuiging te beperken.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,05 m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 28 mm x 58 mm.
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m en afstand tussen rachels h.o.h. 200 mm: 28 mm x 58 mm of 28 x 70 mm bij toepassing van isolatiepakketten > 30 kg/m2
  • Afmeting rachels bij overspanning tussen gordingen van 1,50 m m en afstand tussen rachels h.o.h. 300 mm: 44 mm x 44 mm.

De rachels moeten worden bevestigd met twee schroeven per bevestigingspunt, ∅ 5 mm en inschroefdiepte ≥ 2x racheldikte.

2. Dragende folie
Tussen twee rachels in wordt het gewicht van de losse vezelisolatie gedragen door de folie. Deze folie moet voldoende constructieve sterkte hebben om dit pakket te dragen. Bovendien moet de rek van de folie beperkt blijven zodat het volume van de ruimte tussen dakbeschot en folie /rachels op termijn niet groter wordt en er mogelijk op termijn niet met isolatie opgevulde luchtkamers ontstaan. Geadviseerd wordt om in elk geval een gewapende folie toe te passen. Er zijn folies op de markt die specifiek zijn bedoeld voor toepassing met inblaasisolatie.

3. Beplating
De beplating wordt constructief niet belast en dient uitsluitend als afwerking. Qua brandveiligheid worden wel eisen gesteld aan de toepassing van de beplating. Daar wordt hieronder op ingegaan onder het kopje ‘brandveiligheid’ hieronder.

Brandveiligheid

Qua brandveiligheid geldt dat ten minste moet worden voldaan aan de regels die het Bbl stelt aan de wbdbo tussen woningen en aan de regels die het Bbl stelt aan de brandklasse van de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie. 

Wbdbo
Voor de dakconstructie zelf geldt geen wbdbo-eis, omdat de dakconstructie geen scheiding tussen twee woningen vormt. Tegelijkertijd behoren de plantaardige vezelisolaties tot de brandbare isolatiematerialen. Daarom is een voldoende brandwerende afscherming aan de binnenzijde van groot belang. In deze constructieopbouw is hiervoor een gipskartonplaat van ten minste 12,5 mm toegepast. Deze dient volgens de verwerkingsvoorschriften van de leverancier te worden gemonteerd en de platen moeten onderling, ook volgens de verwerkingsvoorschriften, naadloos worden afgewerkt.

Bovendien moeten de randen voldoende brandwerend worden afgewerkt. Een eventuele brand kan de biobased inblaasisolatie dan voldoende lang niet bereiken (zo’n 20 minuten). Hiervoor geldt dat de randen van de platen altijd op achterhout gemonteerd moeten worden en dat aan de buitenzijde een houten afwerkplint moet worden toegepast. Indien een houten afwerkplint niet wenselijk is, mag ook brandwerende kit worden toegepast.

Brandklasse
Om te voorkomen dat een beginnende brand zich niet snel kan ontwikkelen via de aangrenzende binnenoppervlakten van constructieonderdelen, moet de binnenafwerking van de geïsoleerde dakconstructie ten minste voldoen aan brandklasse D. Bovendien mag bij een beginnende brand de achterliggende inblaasisolatie niet zodanig opwarmen dat het spontaan kan ontbranden. Door toepassing van een gipskartonplaat van ten minste 12,5 mm kan hieraan worden voldaan, mits de randen voldoende brandwerend zijn afgewerkt en de onderlinge naden vlak zijn afgewerkt.

Thermische isolatie

Voor de thermische isolatie van de hier beschreven specifieke dakconstructie, zijn hieronder de Rc-waarden berekend op basis van de specifieke opbouw volgens bijlage C van de NTA 8800. Voor deze specifieke opbouw van de dakconstructie mogen de volgende Rc-waarden worden gebruikt.

Dikte isolatiepakket [mm]Rc D 5.1 [m2K/W]
1503,0
2003,8
2254,2
2504,7
2755,1
3005,5
3506,3

Tabel 1 Rc-waarden van dakconstructie D 5.2 bij verschillende dikten van de isolatie en bij een houtpercentage van 6 % (gordingen) in het isolatiepakket.

Waterdampdoorlatendheid

In de opbouw van deze constructie D 5.1 is aan de binnenzijde een dampremmende folie of een dampvariabele klimaatfolie aangebracht. De toe te passen folie moet voldoende draagkrachtig zijn, bijv. als een gewapende folie, omdat deze laag ook een constructieve functie heeft in het dragen van het isolatiepakket. Zie ook de alinea over brandklasse hierboven.

Geluidwering

Isolatie van de dakconstructie draagt bij aan de geluidwering voor geluid van buiten. Ter indicatie kan hiervoor een RA,traffic = 30 – 35 dB(A) worden gehanteerd.