Je ziet het direct als je de schijnbaar doodgewone woonwijk in wording binnenrijdt. Twaalf woningen in het kleine dorp in Flevoland, Marknesse hebben een duidelijk andere signatuur. En dat zie je niet alleen met een getraind biobased oog. Houten detailleringen. Een opvallend houten dak. Nestkasten voor vogels. Waterdoorlatende bestrating. Alles ademt dezelfde ambitie. Zo veel mogelijk biobased. Judith de Groot straalt als ze erover vertelt. Ook al heeft ze het verhaal waarschijnlijk al tientallen keren verteld, haar enthousiasme is onverminderd groot. Marknesse is een project waar ze zichtbaar trots op is.
“We zijn hier all the way gegaan. Ik wilde hier zo veel mogelijk biobased, dat is gelukt”, zo vertelt Judith de Groot.
Maar na een rondgang door de wijk, tussen verder vooral traditionele woningbouw, wordt al snel duidelijk dat de woningen zelf niet het belangrijkste onderwerp van gesprek zijn.
Aan tafel met Judith de Groot (directeur-bestuurder van Mercatus), Rick Maljaars (projectleider bij Salverda) en Erik Zigterman (afdelingshoofd planvorming Mateboer) gaat het vooral over wat er onderweg is geleerd. Over keuzes die goed uitpakten. Over keuzes die achteraf misschien anders gemaakt zouden worden. Over oplossingen die een volgend project sneller, slimmer en goedkoper kunnen maken.
Want dat is uiteindelijk waar de echte waarde van dit project zit.
“Je kunt niet zwemmen zonder nat te worden,” aldus Judith.
V.l.n.r. Rick Maljaars, Judith de Groot en Erik Zigterman voor ‘hun’ biobased huizen.
Voor Van Polder tot Pand en Building Balance zit de opbrengst niet alleen in de twaalf woningen die er nu staan, maar vooral in de lessen die andere corporaties, ontwikkelaars en bouwers kunnen helpen om biobased bouwen sneller op te schalen.
Project in het kort
In Marknesse realiseerden woningcorporatie Mercatus, Salverda Bouw en Mateboer twaalf biobased huurwoningen. De woningen zijn uitgevoerd in houtskeletbouw en kenmerken zich onder meer door houten gevels, een houten dak, een folieloze opbouw en een vergaande toepassing van prefab-elementen.
Bij de ontwikkeling werd bewust gezocht naar biobased alternatieven voor traditionele bouwmethoden en materialen. Daarbij is gekeken naar constructie, gevels, dakopbouw, isolatie, biodiversiteit en waterhuishouding. Ook zijn verschillende innovatieve oplossingen toegepast en getest in de praktijk.
Meer over het project in Marknesse >

Houten gevels
Ontwerpen vanuit het materiaal
Een van de belangrijkste inzichten ontstond al tijdens de ontwerpfase. Volgens Erik Zigterman werd het project in eerste instantie nog te veel benaderd vanuit een traditionele ontwerpaanpak: eerst ontwerpen, daarna kijken welke materialen daarbij passen.
Bij biobased bouwen werkt dat niet altijd optimaal.
Gaandeweg bleek dat beschikbare houtmaten, biobased panelen en prefab-elementen veel invloed hebben op de uiteindelijke maatvoering van een woning. Zo hadden de toegepaste badkamerpanelen vaste afmetingen en bleken beschikbare houtlengtes bepalend voor delen van het ontwerp.
Traditioneel wordt een badkamer op de bouwplaats passend gemaakt. Hier werd duidelijk dat een andere manier van bouwen ook vraagt om een andere manier van ontwerpen.
“Eigenlijk hadden we eerst de materialen moeten kiezen en vervolgens daaromheen moeten ontwerpen,” zo vat Erik samen.
Voor toekomstige projecten biedt dat direct kansen. Wie materialen vroegtijdig kiest en het ontwerp daarop afstemt, voorkomt ontwerpaanpassingen, materiaalverlies en onnodige faalkosten.
Prefab vraagt meer denkwerk aan de voorkant
Een tweede belangrijke les hangt daar nauw mee samen. In het project werd bewust ingezet op prefab bouwen. Zoveel mogelijk werk moest van de bouwplaats naar de fabriek worden verplaatst. Dat leverde voordelen op. De bouwtijd werd korter, de kwaliteit beter beheersbaar en een groot deel van het werk kon onder gecontroleerde omstandigheden plaatsvinden.
Tegelijkertijd werd duidelijk dat prefab geen wondermiddel is.
Iedere aansluiting, maatvoering en detaillering moet vooraf kloppen. Problemen die normaal op de bouwplaats worden opgelost, moeten veel eerder in het proces worden ondervangen.
De betrokkenen hadden daar bewust rekening mee gehouden door tijd tussen het eerste en tweede bouwblok in te bouwen. Het eerste blok leverde waardevolle inzichten op die direct konden worden toegepast in het tweede.
De conclusie is helder: prefab kan de bouw aanzienlijk versnellen, maar alleen wanneer voorbereiding en engineering op orde zijn.
Vocht begint op de tekentafel
Wie houtbouw zegt, zegt vocht. Dat bleek ook tijdens de uitvoering. Er werd gewerkt met prefab-elementen en een folieloze opbouw. Toen het weer minder gunstig uitpakte, werd direct duidelijk hoe belangrijk vochtbeheersing is.
Bouwfasering, logistiek en tijdelijke bescherming van bouwdelen bleken minstens zo belangrijk als de constructieve uitwerking van de woningen. Een paar dagen regen hebben nu eenmaal meer impact op hout dan op traditionele bouwmaterialen.
Waar vocht bij traditionele bouw vaak vooral een aandachtspunt tijdens de uitvoering is, moet daar bij houtbouw al veel eerder over worden nagedacht.
Verzekerbaarheid is óók een ontwerpvraag
Een van de meest opvallende lessen had weinig met bouwen te maken. De grootste extra kostenpost bleek uiteindelijk niet in de constructie zelf te zitten, maar in de combinatie van zonnepanelen op een houten dak.
Pas later in het proces bleek dat verzekeraars aanvullende eisen stelden aan deze combinatie. Daardoor moesten extra maatregelen worden genomen om het dak verzekerbaar te maken. Voor die oplossing moesten de dakplanken zelfs naar Engeland voor een speciale coating. Dat kostte tijd én geld.
Achteraf bekeken had die kennis eerder in het proces andere afwegingen mogelijk gemaakt. Misschien was dezelfde oplossing gekozen. Misschien waren de zonnepanelen anders gepositioneerd. Of misschien was een andere dakopbouw overwogen.
Volgens Erik en Rick begint vochtbeheersing daarom niet op de bouwplaats, maar op de tekentafel.

Tegelijkertijd erkennen de betrokkenen dat juist dit soort keuzes het project ook bijzonder maakten. Het houten dak groeide uit tot een van de meest herkenbare elementen van de wijk.
De les is daarom niet dat dergelijke keuzes vermeden moeten worden. Wel dat verzekeraars, kwaliteitsborgers en andere toetsende partijen veel eerder aan tafel moeten zitten.
Samen leren versnelt innovatie
Techniek bleek niet de enige succesfactor. Tijdens het gesprek komt steeds weer terug hoe belangrijk de houding van de betrokken partijen was. Leveranciers, adviseurs, opdrachtgever en bouwers waren bereid om kennis te delen, risico’s bespreekbaar te maken en samen oplossingen te zoeken.
Rick Maljaars ziet die gezamenlijke verantwoordelijkheid als een van de succesfactoren van het project.
“Iedereen droeg een deel van het risico“, zo geeft Rick eerlijk aan.
Juist daardoor ontstond ruimte om nieuwe oplossingen toe te passen. Rick merkt daarbij op dat niet iedere bouwprofessional even enthousiast reageert op nieuwe materialen en technieken. Waar de één kansen ziet, heeft de ander daar simpelweg minder affiniteit mee.
Voor projecten waarin wordt geïnnoveerd, loont het daarom om bewust te kiezen voor mensen die willen leren, meedenken en experimenteren.
Bewoners zijn onderdeel van de innovatie
Een opvallend deel van het gesprek gaat niet over bouwen, maar over bewoners. Mercatus koos ervoor om toekomstige bewoners al vroeg bij het project te betrekken. Geïnteresseerden konden zich aanmelden voor de woningen, waarna een selectie werd gemaakt van mensen die bewust wilden kiezen voor deze bijzondere woonvorm.
Dat bleek belangrijk. Niet omdat bewoners proefkonijn waren, maar omdat sommige keuzes in de woning vragen om uitleg. Denk aan installaties, materiaaltoepassingen en het gebruik van bepaalde voorzieningen.
Door bewoners vanaf het begin mee te nemen in het verhaal achter de woningen ontstond meer begrip en betrokkenheid. Bewoners wisten beter waarvoor ze kozen en waren daardoor ook eerder bereid om mee te denken wanneer zich kinderziektes voordeden.
Volgens Judith leverde dat niet alleen betrokken bewoners op, maar ook waardevolle inzichten in hoe nieuwe woonconcepten in de praktijk worden ervaren.
De huizen worden bewoond door mensen die mee willen werken aan de pilot. Ze hebben het ‘biobased gen’.

De huizen worden bewoond door mensen die mee willen werken aan de pilot. Ze hebben het ‘biobased gen’.
Uiteindelijk moet de woning zich aanpassen aan de bewoner
Tegelijkertijd zien Mercatus, Salverda en Mateboer ook de grenzen van die aanpak.
In deze woningen kregen bewoners specifieke instructies mee over het gebruik van bepaalde materialen en onderdelen van de woning. Dat werkte goed, mede omdat bewoners bewust voor het project hadden gekozen.
Maar als biobased bouwen de stap wil maken naar grootschalige toepassing, kan niet van iedere bewoner worden verwacht dat hij zich verdiept in de techniek achter zijn woning. De uitdaging voor de sector ligt daarom ook in het ontwikkelen van woningen die voor bewoners zo vanzelfsprekend mogelijk functioneren. De eerste generatie bewoners past zich nog aan de woning aan. Uiteindelijk moet de woning zich aanpassen aan de bewoner.
Niet alle meerkosten zijn blijvend
Regelmatig wordt gesproken over de hogere kosten van biobased bouwen. Volgens Judith, Rick en Erik verdient dat beeld nuance. Een deel van de meerkosten zat in materialen en nieuwe oplossingen. Maar een minstens zo groot deel zat in onderzoek, berekeningen, materiaalstudies en het ontwikkelen van kennis die nog niet beschikbaar was.
In dat opzicht bleek de samenwerking tussen twee aannemers waardevol. Nieuwe materialen, risico’s en ontwerpkeuzes konden snel tegen elkaar worden afgewogen. Veel van dat werk hoeft in een volgend project niet opnieuw te worden gedaan.
Daarom maken de drie een duidelijk onderscheid tussen structurele meerkosten en leergeld. Wat vandaag nog pionierswerk is, kan morgen onderdeel zijn van de standaard werkwijze.
Opschalen begint met standaardiseren
Aan het einde van het gesprek wordt één ding duidelijk: niemand aan tafel twijfelt nog of biobased bouwen technisch mogelijk is. Die vraag is voor hen inmiddels beantwoord.
De volgende uitdaging zit volgens Mercatus, Salverda en Mateboer in het beschikbaar krijgen van bewezen bouwsystemen. Veel materialen zijn inmiddels getest, maar voor complete wand-, vloer- en dakopbouwen moet nog regelmatig aanvullend onderzoek worden gedaan.
Daardoor moet nog vaak opnieuw worden aangetoond dat een gekozen oplossing voldoet aan eisen voor brandveiligheid, akoestiek en constructieve veiligheid. Niet ieder project zou opnieuw moeten bewijzen dat een bepaalde wandopbouw brandveilig is of dat een bepaalde dakconstructie voldoet aan de gestelde eisen.
Hoe meer kennis wordt gedeeld en hoe meer oplossingen worden gestandaardiseerd, hoe eenvoudiger het wordt om biobased bouwen op grotere schaal toe te passen.
Ook in de voor- de en achtertuintjes is aandacht voor biodiversiteit.

Ook in de voor- de en achtertuintjes is aandacht voor biodiversiteit.
De volgende stap
Aan het einde van de bijeenkomst komt nog één vraag op tafel: wat zou over vijf jaar zo normaal moeten zijn dat niemand er nog van opkijkt?
Als het aan de projectpartners ligt, zijn houten daken, prefab houtskeletbouw en biobased materialen over enkele jaren geen uitzondering meer. Dan is Marknesse niet langer een bijzonder project, maar simpelweg één van de eerste voorbeelden van hoe de nieuwe standaard eruitziet.
Psst… Niet iedere innovatie bleek een blijvertje. Zo verdwijnt de koppeling tussen het grijswatersysteem en de wasmachines waarschijnlijk weer van de tekentafel. Ook dat is een opbrengst van Marknesse: weten wat je een volgende keer níét meer hoeft uit te vinden.
Doorpraten?
Wil je als bouwer, opdrachtgever of ketenpartner de stap maken van ambitie naar toepassing in Flevoland? Neem dan contact op met Jeanet@buildingbalance.eu en ontdek hoe praktijkkennis, testdata en samenwerking biobased bouwen schaalbaar maken.
De foto’s zijn gemaakt door Jeffrey Korte Media
