Mees Eringa is 28 en werkt voor Building Balance regio Noord-Holland. Vlak voor het interview (eind december) is hij bijna klaar met een druk werkjaar en kijkt uit naar rust. Tussen kerst met zijn familie in Nederland en oud en nieuw in Servië bij de familie van zijn vriendin zit een praktische keuze. Één die veel zegt over hoe hij in de wereld staat: bewust, maar niet dogmatisch.
“Vliegen? Liever niet, maar soms is het uit noodzaak.”
Het is precies die houding die kenmerkend is voor de nieuwe generatie die niet alleen vraagt wat we moeten doen, maar vooral hoe we het voor elkaar krijgen. En die met beide voeten in de praktijk wil staan — richting de 30-30-30-doelen: 30% biobased materiaalgebruik in 30% van de nieuwbouw en renovatie in 2030.
Van studie naar de praktijk
Mees studeerde Future Planet Studies: breed, systeemgericht en stevig geworteld in de realiteit van klimaat en milieu. Een opleiding die je leert te kijken naar samenhang. Zo raakte hij gefascineerd door het grensoverschrijdende systeemkarakter van de klimaatcrisis: “Iedereen heeft ermee te maken. En juist daardoor is het zo ingewikkeld. Als de één niet meedoet, denkt de ander al snel: waarom zou ik dan?”
“Iedereen heeft ermee te maken. En juist daardoor is het zo ingewikkeld.”
Toch is Mees geen doemdenker, eerder een optimist. Niet omdat hij denkt dat het vanzelf goedkomt, maar omdat hij kansen ziet — en omdat hij gelooft dat er in veel sectoren nog verrassend veel laaghangend fruit is. Neem bijvoorbeeld het toepassen van stro als isolatie en andere, eenvoudige van-voor-biobased toepassingen.
Houtbouw is niet ‘het’ antwoord
Als het over houtbouw gaat, ziet Mees het niet als dé oplossing die alles vervangt. Bouwen in hout is een grote stap voorwaarts. Maar “je kan de hele bouwsector niet overnemen met hout,” zegt hij. “Bij hoogbouw heb je andere materialen nodig. En er is ook simpelweg een verdelingsvraag: hoeveel hout is er, en welke sectoren hebben het allemaal nog meer nodig?”
Maar hij ziet wél iets anders dat in discussies over de ‘gebouwde toekomst’ soms ondersneeuwt: biobased bouwen gaat niet alleen over CO₂. Het gaat ook over de leefomgeving waar wij in willen werken, wonen en zijn. “Je kunt met hout en andere biobased materialen een schonere en gezondere omgeving creëren,” zo stelt Mees.
Of dat allemaal perfect wetenschappelijk te bewijzen is? Mees is daar eerlijk over. “De signalen zijn er — mensen ervaren voordelen — maar het is lastig om één-op-één te meten wat het effect is van een materiaal op welzijn.” Toch is zijn intuïtie helder: “Je eet ook liever natuurlijke producten dan ultrabewerkt voedsel. Waarom zou dat bij gebouwen anders zijn?”
Niet één knop, maar veel schakels
Mees kijkt graag scherp naar het systeem. Hoe hardnekkig het winstoogmerk kan uitpakken — en hoe “groene groei” soms als simpele belofte wordt verkocht. Mees weigert te doen alsof er één magische oplossing bestaat.
Politiek, bedrijfsleven, lobby’s, gevestigde belangen: het hangt allemaal samen. “Het is ingebakken,” zegt hij. “En dat verklaart ook waarom houtbouw soms lastig van de grond komt. Er zijn bestaande structuren en spelers in ‘het systeem’ die niet vanzelf meebewegen.” Zijn conclusie? We moeten slimmer worden in mensen laten bewegen in de betere richting.
Kennis delen, dingen zichtbaar maken
Waar hij zélf de meeste impact ziet? Dat antwoord zit niet in meer activisme. Nee je moet het zoeken in effectievere communicatie en een nieuwe manier van organiseren.
+ inhoud begrijpen en er een compleet beeld van vormen
+ kennis samenbrengen uit projecten, gesprekken, en praktijkervaring
+ platforms en middelen bouwen die die kennis verspreiden (denk: websites, monitors, kaarten,)
+ mensen laten zien wat er al kan, juist ook buiten onze biobased bubbel
Noem het ‘operationeel kennis verspreiden’: geen abstracte idealen, maar concrete bouwstenen voor versnelling. Want juist via webinars, met rapportages, inspirerende voorbeelden verspreiden en praktische tools aanbieden: dat werkt.
Bouwen aan ambitie
Mees heeft ambitie, maar niet in de klassieke zin van een strak carrièreplan. “Ik heb nooit vastgelegd: daar wil ik eindigen,” zegt hij. “Ik kijk wat mij motiveert, waar mijn interesse ligt, en ik sta open voor dingen.”
Dat maakt van hem een kenmerkende vertolker van zijn generatie. Een generatie die niet wil klimmen om te klimmen, maar wel wil bijdragen — en zichzelf kenbaar wil maken omdat dat kansen creëert én de beweging helpt.
