Koningin Máxima en minister Boekholt-O’Sullivan zien wat nodig is voor opschaling van biobased bouwen


Koningin Máxima en minister Boekholt-O’Sullivan brachten vandaag een werkbezoek aan de Achterhoek rond de opschaling van biobased bouwen. Het werkbezoek, georganiseerd door Building Balance, stond in het teken van de volgende fase van de Nationale Aanpak Biobased Bouwen: bewezen materialen en bouwmethoden steeds vaker toepassen en onderdeel maken van de reguliere, industriële bouwpraktijk. 

Biobased bouwen omvat verschillende materialen en toepassingen. Hout speelt vooral in de nieuwbouw een belangrijke rol in constructies en bouwdelen. Vezels en reststromen kunnen worden toegepast in bijvoorbeeld isolatie, plaatmateriaal en afbouw. De volgende stap is om deze toepassingen niet alleen in afzonderlijke projecten te realiseren, maar ze op grotere schaal beschikbaar, betaalbaar en toepasbaar te maken.  

Nederlandse vezels vragen om verwerking en afzet
Tijdens een bezoek aan een vezelhennepveld in Hengelo zag Koningin Máxima hoe vezelhennep wordt geteeld en geoogst. Aan de hand van verschillende materialen liet Building Balance vervolgens zien welke stappen nodig zijn om van een gewas tot een toepasbaar bouwproduct te komen. 

Vezelhennep is een van de Nederlandse gewassen die daarvoor kunnen worden gebruikt. Ook vlas, miscanthus, tarwestro en wilg bieden mogelijkheden. 

De teelt van vezelgewassen alleen creëert echter nog geen markt. Om Nederlandse vezels structureel in bouwmaterialen toe te passen, zijn concurrerende verwerking en productie, voldoende schaal en concrete afzetmarkten nodig. Pas wanneer verwerking en afzet voldoende voorspelbaar zijn, ontstaat ook voor agrarische ondernemers perspectief om de teelt verantwoord uit te breiden. 

Industrieel biobased bouwen maakt opschaling mogelijk
In nieuwbouwproject De Kwekerij in Doetinchem stond een ander onderdeel van de opschalingsopgave centraal. Het project met 73 woningen laat zien hoe industriële bouwmethoden, biobased materiaalgebruik, energieprestaties en woonkwaliteit in de praktijk kunnen samenkomen. 

Koningin Máxima bezocht een huur- en een koopwoning en sprak met bewoners en betrokken partijen. Gemeente Doetinchem lichtte de ontwikkeling van het project toe. BAM gaf uitleg over de toegepaste industriële bouwmethode en de mogelijkheden om dergelijke bouwconcepten op grotere schaal toe te passen. 

Het bezoek maakte daarmee zichtbaar dat opschaling niet alleen draait om de beschikbaarheid van biobased materialen. Juist door materialen onderdeel te maken van herhaalbare bouw- en productieprocessen kunnen kwaliteit, snelheid, betaalbaarheid en materiaalgebruik met elkaar worden verbonden.  

Van bewezen toepassing naar normale bouwpraktijk
Het werkbezoek werd afgesloten bij Vrije School De Kleine Prins, een grotendeels houten schoolgebouw in Doetinchem. Koningin Máxima bezocht twee klassen en bekeek werk van leerlingen rond duurzame materialen. 

Daarna lichtte Jan Willem van de Groep van Building Balance de volgende fase van de Nationale Aanpak Biobased Bouwen toe. Tijdens het aansluitende panelgesprek spraken minister Boekholt-O’Sullivan, wethouder Rens Steintjes, Saar Veneman van Sité Woondiensten en Viviane Regout van BAM Residential over wat nodig is om biobased bouwen verder op te schalen en structureel onderdeel te maken van de Nederlandse bouwpraktijk. Het gesprek werd gemodereerd door Norbert Schotte van Building Balance en Koningin Màxima sloot hierbij aan.  

Biobased bouwen gebeurt al. De volgende stap is dat we bewezen toepassingen niet incidenteel, maar steeds vaker en op grotere schaal inzetten. Daarvoor moet de hele keten kloppen: van een goed verdienmodel voor de agrariër tot voldoende verwerkingscapaciteit en opdrachtgevers die structureel biobased uitvragen.” – Jan Willem van de Groep, Building Balance
 

De volgende fase draait om opschaling
Meer vraag naar biobased bouwen leidt niet automatisch tot meer Nederlandse productie en vezelteelt. Materialen kunnen ook via bestaande of buitenlandse productieketens worden geleverd. 

Voor Nederlandse agrobased materialen ligt daarom een belangrijke opgave bij de ontwikkeling van een concurrerende verwerkende industrie rond producten waarvoor een concrete markt bestaat. Voorspelbare afzet, voldoende schaal en investeringszekerheid zijn daarbij belangrijke voorwaarden. Vanuit zo’n basis kan ook de vraag naar Nederlandse vezelgewassen groeien en ontstaat perspectief voor agrarische ondernemers. 

De Nationale Aanpak Biobased Bouwen richt zich in de volgende fase daarom op het verder opschalen en normaliseren van bewezen biobased materialen en bouwsystemen. Building Balance werkt als marktontwikkelingsorganisatie aan het verbinden van partijen en het creëren van de voorwaarden waaronder landbouw, industrie en bouw elkaar kunnen versterken. 

Nieuw Plaatmaterialenoverzicht helpt bij kiezen en vergelijken

In navolging van het isolatiematerialenoverzicht zet Building Balance een volgende stap: het Plaatmaterialenoverzicht.
Mede dankzij de vele reacties en het gebruik van het isolatie-overzicht in de markt, bouwen we verder aan het overzichtelijk maken van biobased bouwmaterialen.

Met dit nieuwe overzicht brengen we biobased plaatmaterialen samen in één praktisch hulpmiddel.
Je krijgt snel inzicht in beschikbare materialen en hun eigenschappen, zodat je gerichter kunt kiezen en toepassen in ontwerp en uitvoering.

De kracht zit in de combinatie van overzicht en vergelijkbaarheid.
In de Excel-versie kun je meerdere plaatmaterialen naast elkaar zetten en direct hun eigenschappen vergelijken. Dat maakt het overzicht niet alleen informatief, maar ook direct bruikbaar in de praktijk.

Het overzicht bevat 27 biobased plaatmaterialen en eigenschappen, van afmetingen en dichtheid tot brandgedrag en ecologische potentie.
Daarmee ondersteunt het professionals in het maken van beter onderbouwde materiaalkeuzes.

Dit Plaatmaterialenoverzicht is onderdeel van een bredere lijn.
Stap voor stap werken we aan meerdere materiaaloverzichten binnen biobased bouwen, die samen uitgroeien tot een praktische toolkit voor de sector.

Bekijk en download het Plaatmaterialenoverzicht via deze link op het Nationaal Kenniscentrum Biobased Bouw.

Regeling Stimulering Vezelteelt open voor verwerkers

Vanaf heden kunnen verwerkers van biobased grondstoffen zich inschrijven voor een nieuwe aanbesteding binnen de Nationale Aanpak Biobased Bouwen. Met deze aanbesteding worden koolstofcertificaten ingekocht om de verwerkingscapaciteit van biobased grondstoffen in Nederland te vergroten.

Het Nationaal Groenfonds voert deze regeling uit in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De aanbesteding is bedoeld om de keten van land tot pand verder te versterken. Meer verwerkingscapaciteit betekent dat biobased grondstoffen vaker kunnen worden toegepast in bouwmaterialen voor nieuwbouw, renovatie en infrastructuur.

Budget voor verwerkers
Voor deze aanbesteding is €4.650.000 beschikbaar. Verwerkers kunnen een aanvraag indienen voor de verkoop van koolstofcertificaten uit biobased grondstoffen. De minimale inschrijving is €500.000, het maximale inschrijving: €2.300.000.

De regeling richt zich op verwerkers van onder andere hennep, vlas, stro, miscanthus en mammoetgras, wilgen, bamboe, Paulownia, hout en tuinbouwreststromen.

Belangrijke data
➕ opening inschrijving: 4 maart
➕ webinar over de regeling: 1 april om 10.00 uur
➕ vragen stellen: tot en met 7 april
➕ sluiting inschrijving: 29 april om 12.00 uur

Tijdens het webinar van het Nationaal Groenfonds wordt de regeling toegelicht en is er ruimte voor vragen van geïnteresseerde verwerkers. Aanmelden kan hier. 

Meer informatie

Meer informatie en de volledige aanbestedingsdocumenten zijn te vinden op TenderNed.

Goed bouwen voorkomt plaagdieren, niet het materiaal

Bij biobased bouwen maken mensen zich soms zorgen over plaagdieren. Ze vragen zich af of natuurlijke materialen, zoals hout, vlas, stro of wol, meer ongedierte aantrekken. Building Balance vroeg TNO om dit uit te zoeken. De conclusie is duidelijk: niet het materiaal, maar de kwaliteit van het ontwerp, de bouw en het onderhoud bepalen het risico op plaagdieren.

Wat is er onderzocht?

TNO heeft geïnventariseerd welke plaagdieren in en rond woningen voorkomen. Ze onderzochten zowel gewone woningen als woningen met biobased bouwmaterialen en biobased isolatie.
Het onderzoek is gedaan op basis van bestaande kennis en gesprekken met experts, zoals het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen en Milieu Centraal.

Soorten plaagdieren
In huizen en tuinen kunnen veel soorten plaagdieren voorkomen. TNO verdeelt ze in vier groepen:

  1. Dieren die voedsel, warmte of een schuilplaats zoeken, zoals muizen, ratten, marters en vleermuizen.
  2. Dieren die dierlijk materiaal eten, zoals tapijtkevers en klerenmotten.
  3. Soorten die bouwmaterialen aantasten, zoals papiervisjes, zilvervisjes en sommige kevers.
  4. Soorten die hout aantasten, zoals houtwormkevers, boktorren en soms termieten.

De kern van de uitkomsten

TNO ziet geen bewijs dat biobased materialen meer plaagdieren aantrekken dan andere materialen. Plaagdieren komen vooral binnen via kleine openingen, zoals kieren, scheuren, of slecht sluitende ramen. Ze worden extra aangetrokken door vocht, voedselresten en nestplekken. Het materiaal – biobased of niet – speelt daarbij geen rol.

Dieren eten biobased materialen ook niet. De vezels in deze materialen zijn voor de meeste dieren niet verteerbaar. Wel kunnen sommige dieren biobased isolatie gebruiken als nestmateriaal, maar dat doen ze net zo goed met glaswol, steenwol of piepschuim.

Wat betekent dit voor bouwen met biobased materialen?

Biobased materialen kunnen veilig en verantwoord worden gebruikt binnen de strandaard bouwmethoden. Ze vragen geen extra maatregelen tegen ongedierte. Uiteraard is goed bouwen wél belangrijk. Materialen moeten goed aansluiten, zonder naden en kieren. En er moet aandacht zijn voor vochtbeheersing, ventilatie en goed onderhoud. Net zoals bij bouwen met traditionele materialen. Biobased bouwen vraagt dus geen extra maatregelen, maar gewoon goed vakmanschap.

Biobased bouwen zonder extra risico’s

Onzekerheid over biobased bouwen, bijvoorbeeld uit angst voor meer ongedierte, staat opschaling van biobased bouwen soms in de weg. Het onderzoek van TNO laat zien dat deze zorgen niet nodig zijn. Biobased bouwen kan zonder extra risico’s op plaagdieren.
Het ondersteunt de overstap naar circulaire en klimaatvriendelijke materialen. Zonder nieuwe risico’s, maar juist op basis van bewezen bouwkundige kennis. En met kwaliteit, comfort en gezondheid als uitgangspunt.

Het volledige TNO‑rapport over plaagsoorten kun je hier lezen. Daarin vind je alle achtergrondinformatie over plaagdieren voor professionals die willen werken met biobased materialen.

Heb je verder nog vragen? Neem dan contact op met onze Projectmanager onderzoek en certificering Sander Rutten.

Biobased isoleren zonder dikkere constructie met gelijkwaardige oplossing

Biobased isolatiematerialen zoals stro, vlas, hennep en miscanthus zijn goede vervangers voor traditionele isolatie. Ze stoten minder CO₂ uit bij de productie en slaan zelfs CO₂ op in het gebouw. Maar in de bouwpraktijk zijn er ook uitdagingen. Zo isoleren biobased materialen net iets minder goed. Daardoor moet er dikker en dus duurder gebouwd worden. André Kruithof, Senior specialist Energie & Duurzaamheid bij Nieman Raadgevende Ingenieurs legt uit hoe een ‘gelijkwaardige oplossing’ dit probleem oplost.

De uitdaging: dikker isoleren betekent duurder bouwen

Kruithof begint bij de basis: “Biobased materialen isoleren net iets minder goed dan traditionele isolatiematerialen. Het verschil is klein, maar heeft wel invloed op het bouwproces. Om aan de energieprestatie-eisen te voldoen is namelijk een dikker isolatiepakket nodig. Dat vraagt een dikkere constructie dan de standaardmaat voor bijvoorbeeld houtskeletbouw. En meer materiaal.” Dat maakt de bouw ingewikkelder en duurder. En juist dat zijn veelgehoorde argumenten om niet biobased te bouwen.

De oplossing: slim rekenen met gelijkwaardigheid

Zo ontstond de vraag in de markt: is het mogelijk om met biobased isolatie binnen dezelfde dikte te bouwen? Het antwoord op die vraag is volgens Kruithof verrassend eenvoudig: “Met het principe van gelijkwaardigheid kun je prestaties tussen bouwelementen uitruilen. Als je de dikte van de isolatie gelijk houdt, wordt de thermische kwaliteit van de constructiedelen met biobased materiaal iets lager. Dat zijn vooral de gevel en het dak. Dat mag je compenseren met een ander constructiedeel, bijvoorbeeld beter isolerende ramen. Je bekijkt het warmteverlies dus niet op het niveau van de constructie, maar over de hele woning.”

Hoe werkt dat in de praktijk?

Gelijkwaardigheid wordt berekend met een BENG (Bijna Energieneutraal Gebouw) -berekening. Zo’n berekening is verplicht voor elk nieuw gebouw. “Om gelijkwaardigheid aan te tonen, maak je twee varianten van deze berekening”, legt Kruithof uit. “Eerst bereken je het warmteverlies als de woning precies voldoet aan de bouwregelgeving. Vervolgens bereken je het warmteverlies voor dezelfde woning, maar dan met biobased isolatie in de standaard constructiedikte en beter isolerende ramen. Voor gelijkwaardigheid moet het warmteverlies in de tweede situatie lager zijn dan het verplichte niveau uit de eerste berekening.”

Een rekenvoorbeeld

Kruithof heeft de gelijkwaardigheid uitgewerkt voor een fictief project: de RVO-BENG referentiewoning. “De minimale eisen aan de warmteweerstand (Rc -waarden) zijn 4,7 voor de gevel en 6,3 m2K/W voor het dak. De thermische kwaliteit (U-waarde) van de ramen en deuren moet gemiddeld 1,65 W/m2K zijn. Met biobased isolatiemateriaal wordt de RC-waarde van het dak en de gevel wat lager. Dat gaat bijvoorbeeld van 4,7 naar 4,5 en van 6,3 naar 5,5 m2K/W. Om dat te compenseren, verbeteren we de U-waarde van de ramen van 1,65 naar 1,4 W/m2K. De iets lagere thermische kwaliteit in de dichte constructies, wordt dan volledig opgevangen door betere ramen.”

Kleine verbetering van ramen heeft groot effect

Het is opvallend dat een kleine verbetering in de U-waarde van ramen een groot effect heeft op het totale warmteverlies van de woning. Juist daarom is dit volgens Kruithof een goede en betaalbare manier om gelijkwaardigheid te bereiken. “Het is meestal niet nodig om bijvoorbeeld van dubbel naar triple glas te gaan. Een iets hogere kwaliteit kozijnen, glas of afstandhouders verbetert de thermische kwaliteit van de ramen vaak al voldoende. Door slimme keuzes valt de meerprijs voor deze kleine verbeteringen vaak weg in de marge die toch al genomen wordt om aan de bouwregelgeving te voldoen. Het hoeft dus het niet veel extra te kosten.”

Luchtdichtheid als joker

Beter isolerende ramen compenseren bijna altijd voldoende. In het rekenvoorbeeld is echter ook luchtdichtheid meegenomen. “Daarmee hebben houtskeletbouwers een extra joker achter de hand om het warmteverlies te beperken”, aldus Kruithof. “Het is lastiger om gelijkwaardigheid met luchtdichtheid aan te tonen, omdat het in de bouwregelgeving minder direct gekoppeld is. Maar aan de andere kant zijn prefab bouwelementen vaak al heel luchtdicht. Als je goed aansluitend bouwt, zit je al snel op een hoog niveau.”

Betrouwbaar stappenplan naar gelijkwaardigheid

Deze methode om de gelijkwaardigheid aan te tonen is volgens Kruithof heel betrouwbaar. “Het is een vaak geaccepteerde en bekende methode. En er wordt gebruikgemaakt van de NTA 8800 rekenmethodiek. Die wordt sowieso al veel wordt toegepast en aangestuurd vanuit de bouwregelgeving. Dat maakt deze aanpak betrouwbaar en praktisch.

Kruithof beschrijft een duidelijk stappenplan om als bouwer aan te tonen dat er sprake is van gelijkwaardigheid:

  1. Maak twee scenario’s in de NTA 8800-software, van:
    – een referentiewoning die precies aan de minimumeisen voldoet
    – een voorgestelde woning met biobased isolatie en verbeterde ramen
  2. Vergelijk het totale warmteverlies. De voorgestelde woning moet gelijk of beter scoren.
  3. Lever het verslag aan bij het bevoegd gezag. Het voorbeeldproject in de bijlage is een voorbeeld van het verslag dat je moet aanleveren.

Waar moeten bouwers op letten?

Kruithof benadrukt dat nauwkeurigheid in de berekeningen en de uitvoering belangrijk is. “Met een goed ingevuld stappenplan toon je aan dat de woning voldoet aan de eisen. In de aanvraag moet je dan wel benoemen dat je gebruikmaakt van het principe van gelijkwaardigheid. En vervolgens moet je natuurlijk ook bouwen wat je berekend hebt. Door slim te kijken naar het totale warmteverlies van een woning, kun je dan bouwen met natuurlijke materialen, zonder de extra kosten en inspanningen voor een dikkere constructie. Een kleine verschuiving in ontwerpkeuzes kan zo een groot verschil maken voor de verduurzaming van de bouwsector.”

 

Zelf aan de slag met een gelijkwaardige oplossing?

Hier vind je alle benodigde informatie:

Heb je verder nog vragen? Neem dan contact op met onze Projectmanager onderzoek en certificering Sander Rutten.

Zeeland in stroversnelling

Primeur: succesvolle test met inblaasstro bij DW Prefab in Serooskerke

In Serooskerke is een belangrijke stap gezet in de opschaling van biobased bouwen. Building Balance voerde samen met DW Prefab, ThermoStro en SHR Wageningen een unieke proef uit met het industrieel inblazen van stro als isolatiemateriaal in prefab houtskeletbouwelementen. Het is voor het eerst dat deze techniek in Nederland op deze schaal is getest en succesvol bleek te werken.

De test laat zien dat inblaasstro, een puur natuurproduct, ook op industriële schaal kan worden toegepast volgens de geldende bouwnormen. Daarmee is een belangrijke drempel weggenomen: de techniek is bewezen en direct inzetbaar voor andere bouwers en producenten van prefab houtskeletbouwelementen.

Van initiatief tot uitvoering
De proef is een initiatief van Building Balance en werd uitgevoerd bij DW Prefab in Serooskerke. Daarbij werd gebruikgemaakt van een moderne inblaasmachine met vulplaat van X-Floc, die doorgaans wordt ingezet voor fabrieksmatige isolatie met cellulose of glaswol.

Het gebruikte stro is KOMO-gecertificeerd inblaasstro, ontwikkeld door Building Balance in samenwerking met de Takkenkamp Groep en Prefab Strobouw. Het wordt momenteel geleverd door ThermoStro, Istrolatie en T-Cab.

Het doel van de test was te onderzoeken of dit stro industrieel ingeblazen kan worden met de juiste dichtheid, zonder risico op zetting. Daarvoor werd een testelement van 400 x 600 x 2300 millimeter ingeblazen, gewogen en dertig minuten op een trilbank geplaatst conform de NEN-EN 15101-1:2013 +A1:2019 Annex B2. De conclusie: het stro kan gelijkmatig worden ingeblazen bij de voorgeschreven 90 kilogram per kubieke meter, zonder risico op zetting.

Belangrijke stap richting gecertificeerd biobased bouwen
DW Prefab testte tijdens het onderzoek ook stro van eigen bodem. Ook dat stro bleek zich uitstekend te laten inblazen. Voor het Zeeuwse bedrijf is dit een belangrijke stap richting KOMO-certificering van prefab houtskeletbouwelementen met stro.

“Het is bijzonder om te zien dat stro, een lokaal en hernieuwbaar materiaal, nu ook industrieel kan worden toegepast,” zegt Niels de Visser van DW Prefab. “Voor ons is dit een grote stap richting gecertificeerde, biobased prefab bouwsystemen met grondstoffen uit onze eigen regio.”

Van land tot pand in Zeeland
DW Prefab is actief lid van het K&I Netwerk Circulair Bouwen in Zeeland, dat werkt aan het sluiten van lokale ketens, van land tot pand. Deze test laat zien hoe agrarische reststromen, zoals stro van Zeeuwse boeren, kunnen worden omgezet in hoogwaardige bouwmaterialen. Zo blijft de waarde van grondstoffen in de regio behouden en dragen partijen samen bij aan een circulaire, duurzame bouwsector.

Direct toepasbaar in de praktijk
Met deze test is aangetoond dat industrieel inblazen van stro niet alleen technisch mogelijk is, maar ook klaar is voor gebruik in de praktijk. Er zijn geen belemmeringen meer voor bouwbedrijven of prefabproducenten om met stro aan de slag te gaan. Iedereen die over een geschikte inblaasmachine beschikt, of er een aanschaft, kan dit toepassen.

Samen bouwen aan een biobased toekomst
De test in Serooskerke maakt deel uit van de landelijke certificeringsroute voor biobased isolatiematerialen onder leiding van Building Balance. Het succes toont aan dat biobased én lokaal bouwen hand in hand kunnen gaan: met minder CO₂-uitstoot, minder afval en meer waarde voor de regio.

Wat betekent dit voor jou?
Bouwers en prefabproducenten met een X-Floc of vergelijkbare machine kunnen stro nu direct toepassen volgens de geteste dichtheid. Wil je een pilot starten of je lijn instellen op stro, neem dan contact op via de ketenregisseur in je regio. Opdrachtgevers kunnen stro-isolatie vanaf vandaag meenemen in hun uitvraag.

Nieuwe openstelling Stimulering Vezelteelt: schrijf je in voor het webinar 

De regeling Stimulering Vezelteelt gaat eind november opnieuw open. Deze regeling maakt de teelt van vezelgewassen aantrekkelijker door de aankoop van carbon credits uit ketens van land tot pand. Nieuw dit jaar is dat de regeling niet alleen toegankelijk is voor agrariërs, maar ook voor verwerkers. 

Voor deze openstelling is een budget van ruim €7 miljoen beschikbaar: 

  • €2,5 miljoen voor agrariërs 
  • €4,65 miljoen voor verwerkers 

de belangrijkste verschillen met vorige openstellingen: 

  • aparte module voor verwerkers, zodat ook zij rechtstreeks kunnen aanvragen; 
  • mogelijkheid voor verwerkers om meerjarige aanvragen te doen; 
  • vereenvoudigde bewijslast: registratie via RVO in plaats van eigendomsaktes.

webinar 

Wil je meer weten over de regeling en de nieuwe mogelijkheden voor agrariërs en verwerkers? Neem deel aan ons webinar. Tijdens dit webinar lichten we de regeling toe en beantwoorden we vragen. Je kunt je hier aanmelden voor het webinar.

In de Fieldlabs van MooiNL groeit het landschap van de toekomst 

Hoe passen vezelgewassen in het Nederlandse landschap? Hoe combineren we biodiversiteit, waterkwaliteit en landbouw? En hoe maken we van biobased bouwen de nieuwe norm? In de Fieldlabs MooiNL zoeken regionale ketens samen met Building Balance naar de antwoorden. 

In opdracht van het programma MooiNL van het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn in twee regio’s (de Achterhoek en de Stedendriehoek) Fieldlabs gestart. Op zes plekken in deze regio’s wordt in de praktijk onderzocht hoe vezelgewassen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, biodiversiteit, klimaat en een toekomstbestendig verdienmodel voor boeren. Van landbouwgrond vol raaigras en mais naar een landschap waarin bouwen, natuur en voedselproductie hand in hand gaan. 

Samenwerkende ketens
In elk Fieldlab werken agrariërs, ketenpartners, ontwerpers en beleidsmakers samen. Building Balance vervult daarbij een landelijke verbindende rol. De regionale ketens bepalen de koers, de context en het tempo én delen hun inzichten via hun eigen communicatiekanalen. Vanuit Building Balance zorgen we voor de landelijke duiding, kennisdeling en zichtbaarheid. 

Zes projecten, elk met hun eigen verhaal
De projecten verschillen in aanpak, fase en energie. In de Achterhoek ligt de nadruk op proces en dialoog: hoe creëer je een veilige setting om samen tot nieuwe landschapsideeën te komen? In de Stedendriehoek ligt de focus op doen en testen: hoe sluiten we de keten van vezel tot bouwelement in de praktijk? 

Deze combinatie maakt de Fieldlabs waardevol: we leren van beide aanpakken, en laten zien hoe biobased bouwen in álle regio’s vorm kan krijgen. 

Wat kun je verwachten?
Vanuit Building Balance delen we de komende periode lessen, verhalen en beelden uit de Fieldlabs. Soms praktisch, soms reflectief, altijd gericht op kennisdeling. Volg onze LinkedIn-pagina voor updates of abonneer je op onze nieuwsbrief. Op deze pagina vindt je altijd alle informatie en updates over de Fieldlabs.

Innovation Impact Challenge: nieuwe impuls voor biobased bouwmaterialen

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) start de Innovation Impact Challenge Biobased Bouwmaterialen. Deze innovatiecompetitie maakt deel uit van de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB), waarin vier ministeries samenwerken aan de versnelling van biobased bouwen in Nederland.

Met een totaalbudget van 1,8 miljoen euro biedt de innovatiecompetitie kansen voor ondernemers, startups en consortia die innovatieve bouwmaterialen willen ontwikkelen uit Nederlandse biogrondstoffen. Het doel is helder: bijdragen aan een circulaire bouweconomie en de ambitie van de NABB om in 2030 minimaal vierhonderdduizend ton biobased bouwmaterialen per jaar toe te passen.

Wat maakt deze competitie bijzonder?

  • Er ligt nadruk op volledige verwaarding van gewassen: niet alleen de vezels, maar ook eiwitten, suikers en nutriënten worden benut. Dit leidt tot robuuste businesscases en meer waarde per hectare.
  • Innovatieve bouwmaterialen moeten bestaan uit biogrondstoffen en de verwerking vindt plaats in Nederland.
  • Voorbeelden zijn isolatiematerialen uit grasvezels, vlas, hennep of miscanthus, circulaire substraten die na gebruik verwerkt worden tot plaatmateriaal, of bioraffinage waarbij alle componenten optimaal worden ingezet.

Twee fasen

  1. Haalbaarheidsfase
    • Een contract voor maximaal 30.000 euro per haalbaarheidsonderzoek.
    • Gericht op het ontwikkelen van een businesscase en het aantonen van technische en economische haalbaarheid.
  1. Prototypefase
    • Een contract voor maximaal 300.000 euro per R&D-traject.
    • Voor de ontwikkeling, test en demonstratie van een werkend prototype.
    • Specifiek budget: 900.000 euro voor bioraffinage, 600.000 euro voor verwerking van biogrondstoffen.

Belangrijke data

  • Publicatiedatum: 26 augustus 2025
  • Online informatiebijeenkomst: 11 september om 8.30 uur
  • Deadline Expressions of Interest: 23 september 2025 om 13.00 uur

Meer weten?

Aanmelden voor de informatiebijeenkomst en het indienen van voorstellen kan via de website van de Innovation Impact Challenge. Alle documenten en antwoorden op veelgestelde vragen zijn beschikbaar via RVO  Innovation Impact Challenge: Biobased bouwmaterialen van Nederlandse bodem | RVO.nl en TenderNed Biobased Bouwmaterialen van Nederlandse bodem